Innerlijk Besef

Zelfaanvaarding

Verslag van de lezing door Bram Moerland op dinsdag 9 jan. 2001 in het v.d. Valkmotel te Assen. In gnostische geschriften wordt niet de historische gebeurtenis van één persoon beschreven, maar een proces dat elk mens kan meemaken, nl. een zielenreis.

Henk heet een ieder hartelijk welkom en wenst ons allen het allerbeste en veel Licht en Liefde voor 2001. Nadat hij ons begroet heeft met Namaste (ik eer het Goddelijke in jou), vangt Bram Moerland aan met zijn voordracht over het boeiende onderwerp: Zelfaanvaarding.

Bram Moerland houdt zich zijn hele leven al bezig met de vraag hoe mensen met zichzelf omgaan en behandelt daaromtrent twee rode draden die door zijn leven lopen.

De eerste rode draad stamt uit zijn jeugd, hij is nl. opgegroeid in het milieu van de zwarte kousen kerk, waar de mens zondig is. Hij herinnert zich, met betrekking tot dit thema, een gesprek tussen zijn moeder en een oudere dame, waarin zijn moeder vertelde dat ze zondig was. Hij vermoedde dat ze iets heel vreselijks had gedaan en wilde haar als jochie van een jaar of vier, vijf  troosten en zeggen dat hij van haar hield of zo iets. Hij deed dat niet omdat er in hun stem iets niet klopte, waardoor hij in verwarring raakte. Het leek erop alsof deze twee vrouwen, met genoegen, tegen elkaar opboden wie van de twee het meest zondig was.

Een minstens even belangrijke gebeurtenis was het  feit dat zijn zus twee  jonge kinderen verloor en hij wederom zijn moeder met diezelfde vrouw hoorde spreken. Eén van de twee zei: “God is met haar bezig, maar zij wil niet op haar knieën.” De conclusie was dus dat de dood van deze twee kinderen haar eigen schuld was: de straf van God voor haar zonde. Deze liefdeloze reactie was voor hem (toen ca. 14 jaar oud) reden om met de zwarte kousen kerk te breken. Het blijft hem echter verbazen hoe het mogelijk is geweest dat een godsdienst die predikt dat de mens in zijn essentie zondig is, het bijna 2.000 jaren heeft kunnen volhouden en zo wijdverbreid en populair is.

De tweede rode draad die door zijn leven loopt heeft eveneens te maken met lijden, maar ook met verwondering. De verwondering over de kracht die in mensen kan wonen om leed / verdriet / de slagen van het lot te weerstaan en daar mooi, rijk en wijs uit te voorschijn te komen.

Die verwondering betreft het feit, dat een mens die eerst buitengewoon diep in de put zat, daar ineens weer uit kan komen. Ineens zie je dat er iets gebeurd is met die ander. Dat heeft bijna iets magisch. Die ander heeft dat vaak zelf nog niet eens in de gaten, maar de verandering is reeds zichtbaar: de blik in de ogen is anders, de klank in de stem is anders, de rug is rechter. Er straalt iets door de ellende heen. Hij heeft in zijn filosofische praktijk geleerd voor die kracht eerbied te hebben en daar rustig op te durven wachten.

Hij beseft dat hetgeen een mens voor zijn medemens in nood kan betekenen is: het geloof en vertrouwen in de mogelijkheid van die andere mens zichzelf uit die put te redden. Diezelfde kracht kwam hij ook tegen in een aantal boeken die in 1945 door een boer werden gevonden in Egypte, de Nag Hammadi geschriften. Deze veroorzaakten bij de Westerse geleerden een sensatie. Het waren boeken uit de gnostische traditie. Daarin werd geschreven over Jezus, maar op een totaal andere manier dan die Bram had leren kennen in de zwarte kousen kerk van zijn moeder.

In die gnostische geschriften wordt niet de historische gebeurtenis van één persoon beschreven, maar een proces dat elk mens kan meemaken, nl. een zielenreis. Elk mens kan immers zekerheden verliezen en in  een staat van troosteloze verlatenheid terechtkomen. Dan, na de tijd die daarvoor nodig is, kan die mens ontdekken dat er in haar- of hemzelf, juist in die leegte, de mogelijkheid bestaat op het samen­vallen met iets in zichzelf. In elk mens is iets, het Goddelijke, dat niets nodig heeft en dat juist in de leegte tot zijn recht kan komen. Eén van de beelden zegt daar over, dat juist in de woestijn de bron van het levende water te vinden is.

In die oude teksten, uit de eerste eeuwen na Christus, wordt ook gesproken over de opstanding. Daarbij denken wij meestal direct aan Pasen, maar in de Nag Hammadi geschriften heeft het woord opstanding een heel andere betekenis. Die verhalen vertellen allemaal op een of andere wijze over een groot lijden, uitgedrukt in de woorden: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Dat is het moment van het verlies van de zin en het geloof in het leven,  van totale eenzaamheid en troosteloze ver­latenheid. Dan volgt de uitspraak: “In Uw handen beveel ik mijn geest.” De drie dagen die worden genoemd, zijn niet letterlijk maar symbolisch bedoeld. Drie dagen staan nl. voor de tijd die nodig is voor dit proces tot aan de opstanding.

Bram ontdekt in de jaren tachtig religieuze teksten over Jezus, die perfect passen bij datgene wat hij in zijn filosofische praktijk in de mensen ziet die tegenover hem zitten. In die teksten van Nag Hammadi wordt de kracht, die in elk mens schuilt, Goddelijk genoemd. Er wordt zelfs gezegd dat er in elk mens een vonkje Goddelijke natuur aanwezig is, dat aangewakkerd kan worden tot een brandend vuur. Je bent in de diepte van je wezen dus Goddelijk. De zwarte kousen kerk van zijn moeder leerde hem echter dat de mens in het diepst van zijn wezen zondig is, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Ook in een aantal andere religies is de opvatting terug te vinden dat de mens Goddelijk is in zijn diepste wezen. Het Boeddhisme bijvoorbeeld heeft het over de Boeddhanatuur; het Hindoeïsme over ‘Gij zijt dat’. Dat, wat het ook wezen moge, dat ben jezelf; diverse Tibetaanse Lama’s hebben het als volgt genoemd: “Dat wat je bent is een innerlijke zon, die alles verwarmt; het is sterk en zacht; kalm en helder; innerlijke ruimte.”

Het gaat om de stilte, die in de westerse traditie de woestijn (de leegte) wordt genoemd en voor de Boeddhisten de meditatie is, met als doel dat je leeg wordt van alle begrippen.

Je gebruikt woorden, omdat je die nodig hebt voor een bepaalde traditie, waarin je elkaar leert met bepaalde aspecten van het leven om te gaan. Maar juist het geloof in de woorden kan de duisternis opwekken, waar het licht niet in kan stralen.

Als we het in het westen over religie hebben, spreken we gewoonlijk over een geloof. Boeddhisme, bijvoorbeeld, is een ander geloof, zeggen we dan. Het vreemde is dat er geen enkele andere traditie is, dan die van het Christendom, die van zijn aanhangers verlangt dat je iets gelooft en belijdt. Het begrip geloof hoort bijvoorbeeld helemaal niet bij Boeddhisme, daar gaat het juist om het leeg worden van het geloof. Zodat in die leegte, de ervaring van het Goddelijke in de mens tevoorschijn kan komen. Diezelfde houding vond Bram in die boeken van Nag Hammadi. Daar gaat het ook niet over geloof, maar over gnosis; een diep innerlijk weten in jezelf.

Een beschrijving van dit diepe innerlijke weten in jezelf vind je bijvoorbeeld ook in de boeken van Carlos Castaneda, die leerling was van de Indiaanse tovenaar Don Juan. In dit verhaal gaat het erom dat het van belang is dat je je afvraagt of het pad waarop je je bevindt een hart heeft. Als je jezelf die vraag stelt, zul je weten of dat ook daadwerkelijk het geval is of niet. Als dit niet het geval is, ‘moet’ je een ander pad kiezen.

Het probleem is dat wij ons die vraag niet stellen. We hebben in onze cultuur ook geleerd dat wij ons die vraag niet mogen stellen. Niet alleen in de zwarte kousen kerk, maar ook in allerlei andere variaties van het kerkelijke Christendom is juist betoogd dat een mens in zijn essentie niet deugt en dientengevolge dus niet aan zichzelf mag vragen wat de wijsheid van haar of zijn hart is.

Volgens de gnostiek echter, is dat juist waar het om gaat. Dat je de moed verzamelt en bereid bent om op zoek te gaan naar de wijsheid in je eigen hart, dwars tegen datgene in wat de mensen om je heen van je verlangen.

Er zijn veel mensen die eerst hebben vertrouwd op de wijsheid van anderen. Die hun best hebben gedaan om het hun medemensen zo goed mogelijk naar de zin te maken. Die zich dikwijls met veel zelfverloochening ten dienste hebben gesteld van hun medemensen, omdat zij de overtuiging hebben dat zelfverloochening de weg naar liefde is. Op dat pad van zelfverloochening, kun je zelf in een diepe, zwarte eenzaamheid terecht komen. Je kunt dan denken dat je sterk bent en vol moet houden in zelfopoffering. Maar op een gegeven moment kan er iets knappen in je bereidheid er in zelfopoffering te zijn voor je medemens. Dat is zo’n moment waarop mensen niet meer in zichzelf durven te geloven en dat het buitengewoon belangrijk is dat ze een mens tegenkomen die bereid is wèl in hen te geloven. Iemand die werkelijk bereid is samen in die diepe put af te dalen, in stilte, zonder wijsheid  of goede raad en die niet probeert te redden. Op de bodem van die put is alleen nog maar leegte. En dat is de plek waar het wonder van de opstanding kan plaatsvinden.

Als je over Liefde spreekt gaat het dus niet om zelfopoffering, maar om de Liefde zoals de gnostiek haar beschrijft: iets dat op de bodem van die put te vinden is, iets dat is, iets dat straalt, iets dat een deel is van jezelf; een grote kracht, uiterst bescheiden, heel sterk en zeer barmhartig.

De gnostiek, het Boeddhisme, maar ook andere stromingen bieden een manier aan om tot die kern van leven te komen zonder te lijden. Jung heeft daar prachtige dingen over gezegd. Volgens hem ben je eerst gevangen. In dat geval zijn de mensen meestal niet zichzelf, maar een rol uit het grote mensenverhaal. Daaruit ontstaat het volgende conflict: als je deze rol speelt, wat doe je dan met wie je in wezen zelf bent.

Doch ondanks het gevangen zitten in een verhaal, is er in alle mensen, een diep weten van iets anders, een soort van vaag verlangen. Volgens Jung vlamt dat verlangen regelmatig op en worden we dan geroepen om te zijn wie we werkelijk zijn. We hebben echter altijd duizend-en-één goede redenen om tegen onszelf te zeggen: ja maar dat kan toch niet, mag niet, enz. De kunst is dan de moed te verzamelen om, tegen allerlei goede redenen in, toch je eigen innerlijke weg te volgen. Dat is een heel karwei, waar je een heel leven voor nodig hebt.

Op het moment echter dat je de moed verzamelt hebt om je eigen weg te gaan, zijn er altijd de magische helpers om je te bemoedigen. Op die reis door het leven kun je buitengewoon indrukwekkende ervaringen hebben, van totale vrede, totale Liefde en geborgenheid in het zijn. Na die ervaringen heb je als mens vervolgens twee keuzemogelijkheden. Je kunt tegen je medemens zeggen: “Ik weet precies hoe je er moet komen,” maar je kunt ook zelf één van die magische helpers worden, iemand die een ander mens aan zichzelf durft over te laten. Want die weet: als die ander werkelijk tot de kern van zijn/haar bestaan komt, dan zal ook hij/zij daar diezelfde bron van Liefde vinden. Dat is wat we voor elkaar kunnen betekenen. Dan kun je zelf het wonder meemaken van de verandering in die ander. Dan merk je het wonder soms al op voordat die ander het in de gaten heeft: de ogen beginnen te stralen, de klank in de stem wordt anders, de rug wordt anders. De mens is tot zich zelf gekomen.

Het wonder is geschied, de Liefde voor het leven is geboren!