Deze bijeenkomst bestaat uit twee delen: Ger Lodewick informeert ons m.b.v. PowerPoint en video; Maarten Oversier, regressietherapeut, legt vervolgens de focus op mogelijke implicaties na het sterven.
Postmortale Orgaandonatie: Wat mogen wij niet weten?
Voordat Ger Lodewick zijn lezing begint, vertelt Maarten over een brief van de toenmalige minister van Volksgezondheid Schippers, die zijn dochter Ilse ontving toen zij 18 jaar was geworden.
Brief aan Ilse. Hier is een oproep om je op te geven als orgaandonor, met de volgende vraag: “Wil je dat jij wordt gered als je dood gaat, door een orgaan van iemand anders? Trek je niets van je ouders aan. Je mag zelf kiezen. (…) Klik op deze app en registreer je als orgaandonor”.
Iedereen die tegenwoordig 18 jaar wordt, krijgt een soortgelijke brief.
In feite is dit een lafhartige oproep, want jongelui van 18 weten helemaal niet wat er aan de hand is op dit vlak en ze zijn er ook totaal niet mee bezig. Dit onderwerp leeft niet bij de jeugd en waarschijnlijk ook nauwelijks bij de rest van de bevolking. Welk kind van amper 18 kan al kiezen over orgaandonatie en zal zich weloverwogen laten registreren, of hij nu ja of nee zegt.
Ger vervolgt: In deze lezing ga ik proberen wat licht in de duisternis te brengen. Ik zou zeggen: doe ermee wat je wilt. Een ding wil ik je wel adviseren: laat jezelf registreren in het donorregister, of het een ja of een nee wordt, of wat dan ook, dat maakt niet uit en laat niet de keuze over aan de familie. Maak zelf je keuze. Na 2019 is dit trouwens niet meer aan de orde, dan kom je automatisch met een Ja in het register te staan, wat we te danken hebben aan de nieuwe wet op de orgaandonatie die dan in werking treedt.
Postmortaal betekent letterlijk: na de dood. En ja, vroeger dacht ik ook: “Als er iemand anders met mijn hart, of longen of lever verder kan leven, why not, ik heb er toch niets meer aan.”
In de loop van de jaren – we zijn inmiddels al 25 jaar verder in het proces van orgaantransplantatie – ben ik erachter gekomen dat de term postmortaal niet klopt.
Wij mogen iets niet weten. En wat is dat? De eerste vraag die ik jullie voorleg is de volgende: “Wat weten wij nu precies over de cyclus van geboorte, leven en sterven?” En bij dat stukje leven hoort soms ook een proces van ziek zijn wat je overkomt, of, in dit geval orgaan-falen. Wat weten wij van deze cyclus? En laten we het begrip ‘weten’ goed tot ons doordringen: wanneer weet je echt ergens iets van, wanneer heb je je het eigen gemaakt?
We kijken naar een foto van een ijsberg. Bij een ijsberg steekt een klein stukje boven het wateroppervlak uit, de overige 90% bevindt zich onder water. Nu vraag je je af, wat moeten wij daarmee? Het is een metafoor, het bovenste deel van de ijsberg dat boven het water uitsteekt, staat voor je dagbewustzijn, waarmee je normaal overdag functioneert, en het onderste deel van de ijsberg, het grote deel onder water, staat uiteraard voor je onderbewustzijn, en in dat onderbewustzijn speelt zich een heleboel af in je leven. Na de pauze komt Maarten Oversier hier nog op terug.
Nu eerst het volgende: ik ben geen arts, maar ik heb ze gesproken, ik heb ze gemaild, ik heb artikelen van hen gelezen, uit veel landen die een moderne medische technologie hebben.
In april 2019 komt er een congres in Breda over het onderwerp van orgaantransplantatie en een gerenommeerd wetenschapper heeft toegezegd te komen, nl. Aran Shuman, een neuroloog. Shuman veegt de vloer aan met het criterium ‘hersendood’, zoals er meer neurologen op dit standpunt staan. Het begrip hersendood wordt door een neuroloog geconstateerd tijdens het proces van orgaantransplantatie. Er zijn vele specialisten uit Canada, Brazilië, Japan, ga zo maar door, die vraagtekens zetten bij deze terminologie.
In Nederland overheerst bij wetenschappers en medici het standpunt dat hersendood echt dood is en wie er anders over denkt, houdt de boel voor de gek en verspreidt nepnieuws. Hier kunnen we dus beslist vraagtekens bij zetten. De volgende uitspraak van Rudolf Pichlmayer, transplantatiechirurg, is ook interessant: “Als we de samenleving objectief zouden voorlichten over orgaandonatie, dan krijgen we geen organen meer.” Het is beslist opvallend dat iemand in deze beroepsgroep zo’n uitspraak doet.
In de wet, en wel in artikel 14 van de Wet op Orgaandonatie, staat dat je hersendood verklaard moet zijn om orgaandonor te worden. En hersendood, staat erbij, is: dood. Als je dood bent, dat staat er ook letterlijk in, dan ben je een stoffelijk overschot. In artikel 14 is er sprake van: een beademd stoffelijk overschot. Hierover kan ik je één ding vertellen: als je een stoffelijk overschot vanuit een mortuarium zou willen gaan beademen, dan gebeurt er niets. Dit is niet mogelijk.
Er worden feiten achtergehouden over de levende mens die dood verklaard is. Dit is wat er bij een hersendode wel optreedt en bij een stoffelijk overschot niet:
- De temperatuur is normaal, er kan zelfs hoge koorts optreden.
- Er is activiteit van het hart en er is bloedsomloop.
- Er is spijsvertering en er vindt uitscheiding plaats.
- Er is interactie tussen de lichaamscellen.
- Medicatie en vaccinatie werken.
- Wonden genezen en reflexen werken.
- Een foetus kan nog na 3 mnd. geboren worden.
- Mannen kunnen een erectie krijgen.
Er beginnen zich praktijken af te spelen van bewuste misleiding, door de overheid en de medische stand. Bij het uit het lichaam halen van organen bij een hersendode treden regelmatig dit soort verschijnselen op: de hartslag en de bloeddruk nemen toe, de patiënt gaat hevig transpireren, soms komt het lichaam als in afweer overeind. Dit alles wordt afgedaan als reflexen, maar bij een stoffelijk overschot zouden deze reflexen uitblijven. Reflexen kunnen immers alleen maar optreden in een levend lichaam. Cardioloog Pim van Lommel is het radicaal oneens met het principe van hersendood. Herms Romijn, hersenonderzoeker, beweert het volgende: Het begrip hersendood is in feite ongedefinieerd. Het is niet uit te sluiten dat er in de diepere, subcorticale delen in de hersenen nog lang activiteiten zijn. Als je niets van je lichaam kunt bewegen, wil dat niet zeggen dat je dood bent.
Het komt regelmatig voor dat mensen die hersendood zijn toch weer ontwaken en genezen. Soms maken zij gewag van een BLE (Buiten Lichamelijke Ervaring) waarbij ze specifieke details geven van wat er zich in de operatiekamer heeft afgespeeld terwijl zij geopereerd werden, of ze hebben vaak alles gehoord van wat er tijdens de operatie is gezegd. Wat heeft dit voor impact op een orgaandonor…
Familieleden zien bij een sterfbed hun dierbare liggen met een blozende kleur, een warm lichaam en een kloppend hart en moeten dan à la minute beslissen of er organen mogen worden uitgenomen; op die manier is er niet eens ruimte voor een waardig afscheid. Er wordt door de medische staf ingewerkt op emoties: “Uw zoon zou toch ook willen dat zijn hart iemand anders een nieuw leven kan schenken?” De familieleden worden zo onder druk gezet (er is vanuit de medici een tijdsdruk) maar daardoor is er geen ruimte om er rustig over na te denken en een weloverwogen beslissing te nemen. Als er sprake is van wilsonbekwaamheid dan zou de arts mogen beslissen: Nee dus, alleen als er een verklaring van niet handelen is, in geval van mensonwaardig leiden.
Veel medici en anesthesiologen weigeren om mee te werken aan een systeem waarbij organen uit levende mensen worden gehaald. Mahatma Gandhi zei het al treffend: “Ga je nooit verontschuldigen voor het gegeven dat jij de waarheid spreekt, ook al ben je een roepende in de woestijn”. Spreek je uit. Kom met jouw informatie. Deel dit met anderen. Hier is een uitspraak om eens goed over na te denken: “Het is goed om respect en liefde te hebben voor je eigen lichaam, voor je eigen leven en voor je eigen sterven.” Het getuigt van een diep innerlijk besef van wat jij in essentie bent. Misschien ben je juist wel in dit leven gekomen om een proces van ziekte te ervaren en uit te werken.
Er wordt een beroep gedaan op de gevoelens van naastenliefde en hulpvaardigheid van de donoren om toch maar vooral het donorregister te tekenen. In feite is dit alleen maar een administratieve handeling, want het komt in de praktijk maar bij minder dan 0,5% van de mensen voor dat zij effectief hun organen kunnen doneren na een fataal ongeluk.
In het kader van orgaandonatie rijzen er enkele fundamentele vragen waarvan wij in de loop van ons leven moeten uitzoeken, hoe wij hier tegenover staan. Hier kunnen wij inspiratie putten vanuit onze innerlijke bron, een weten dat iedereen diep in zichzelf meedraagt:
- Wat betekent ziekte voor mij?
- Wat betekent orgaan-falen voor mij?
- Wat is de diepere zin van mijn leven?
- Wat is de rol van de liefde?
- Wat versta ik onder liefde?
- Wie/wat ben ik in essentie?
- Ben ik bang voor ziekte?
- Ben ik bang voor de dood?
- Waarom voel ik me zo onzeker?
- Laat ik mijn leven door angst beïnvloeden?
- Heeft ziekte, of angst om ziek te worden, daarmee te maken?
- Ben ik bang om oud te worden?
- Hoe kan ik van de stervensangst afkomen?
Je zult op de een of andere manier in het reine moeten zien te komen met deze levenskwesties. Je moet er dwars doorheen, deze kwesties beleven en doorléven en er niet van weglopen. In het geval van een wezenlijke angst om te sterven, zou het zomaar kunnen dat deze angst een trigger is voor het ontstaan van een ziekte.
De Nieuwe Wetgeving inzake Orgaandonatie treedt in 2020 in werking. Dit vraagstuk is weer op de kaart gezet door Pia Dijkstra. Wat is hierin de taak van de overheid inzake ethische en levensbeschouwelijke vraagstukken? Zou de overheid de burgers juist niet moeten beschermen en objectief voorlichten?
Er komt een voorstel inzake P.T.O., Persoonlijke Toestemming Orgaandonatie. In 2020 komt er automatisch een ‘clausule van geen bezwaar’ in jouw dossier, tenzij je anders aangeeft. Dit moet je dus vanaf dat tijdstip zelf actief aangeven. Dit moet je ook niet overlaten aan de achtergebleven familieleden; niemand zou mogen beslissen over wat er met jouw lichaam gebeurt; je zou zelfs niet eens een beslissing mogen nemen over je eigen kind.
In Artikel 10 van de Grondwet staat dat iedere burger recht heeft op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Als er inzake transplantatie niet vanuit een stoffelijk overschot wordt geredeneerd maar vanuit een hersendode, dan is er altijd nog sprake van een levend iemand en dientengevolge val je onder de wet, art. 10 dat jij (jouw lichaam) bescherming verdient. Iedereen heeft recht op de onaantastbaarheid van zijn lichaam. Er is bij het instellen van de Wet P.T.O. alleen stilgestaan bij de vraag of de nabestaanden nog iets te vertellen hebben. In feite is het de wereld op zijn kop: er zou moeten worden uitgegaan van A.D.R., dit is: Actieve Donor Registratie. De overheid moet weten wie er donor is, ze hoeven niet te weten wie er NIET donor wil zijn en waarom niet. De Nederlandse Staat heeft niet de taak om de innerlijk morele, ethisch levensbeschouwelijke inzichten van zijn burgers te sturen. Wel om de uiterlijke orde in de samenleving zo goed mogelijk te laten verlopen en te faciliteren.
De overheid heeft als taak om volledige, objectieve voorlichting te geven inzake donorregistratie en over wat donortransplantatie precies inhoudt. De overheid is hierin duidelijk tekortgeschoten. Er spelen ook te veel financiële belangen in het traject van donortransplantatie. Het in stand houden van geldstromen kan uiteindelijk zelfs resulteren in een wereldwijde (illegale) handel in donororganen.
In de toekomst is het wellicht mogelijk om organen te kweken en nu zijn er natuurlijk al intelligente protheses die de taak van een hand of been kunnen overnemen. Het blijft zaak om de ogen open te houden, jezelf goed te informeren, er met anderen over te praten en zo gefundeerde beslissingen te kunnen nemen.
In het tweede deel van de lezing verwijst Maarten Oversier nog even naar de afbeelding van de ijsberg, die Ger Lodewick aan het begin van zijn lezing liet zien. De ijsberg met het kleinste stuk boven het water (het dag-bewustzijn) en het grootste stuk onder water (het onderbewustzijn). Het is een perfect voorbeeld van hoe ons innerlijk eruit ziet.
Maarten noemt de website www.wanttoknow.nl, waar onder meer artikelen over dit onderwerp te vinden zijn.
Het fenomeen telepathie komt in beeld bij de kwestie van orgaandonatie en Maarten vraagt zich af of er bij de medici kennis bestaat omtrent dit fenomeen in relatie tot orgaandonatie. Rupert Sheldrake, auteur en celbioloog, heeft na vele proefnemingen bewezen dat telepathie bestaat. Het is de vraag in hoeverre de medici afgedwaald zijn van menselijke gedragingen en hun spirituele gevoelens, waarbij het tevens de vraag is of zij die toelaten in hun beroep of juist zo veel mogelijk uitbannen of het zwijgen proberen op te leggen.
Volgens Sheldrake stoelt de medische wereld op 10 dogma’s, te weten:
- De natuur is mechanisch van aard.
- Alle materie is onbewust.
- Natuurlijke constanten zijn overal vast.
- De totale hoeveelheid energie en materie is overal hetzelfde.
- De natuur is doelloos.
- Biologische overerving is gebaseerd op natuurlijke processen.
- Het geheugen ligt opgeslagen in het brein.
- Als er al iets van een geest is, zit die in je hoofd.
- Psychische fenomenen als telepathie zijn niet mogelijk.
- Mechanisch materiele medicijnen zijn de enige medicijnen die werken.
Alle medische beslissingen zijn ook vanuit overheidswege gereguleerd en zijn uitsluitend gebaseerd op deze 10 uitgangspunten. De medische wereld houdt zich alleen bezig met dat wat zichtbaar en meetbaar is. Hierop worden alle beslissingen en dientengevolge alle daaruit voorvloeiende behandelingen gebaseerd.
Veel mensen die zich bezig houden met de mens in zijn geheel, o.a. therapeuten die werken met reïncarnatie– en regressietherapie beseffen, dat het onderbewuste een soort van weerslag is van alles wat er ooit gebeurd is in je leven(s). Mensen die met hun klachten naar een reïncarnatietherapeut gaan, zijn zich er dan ook van bewust dat er een mogelijkheid is dat hun klachten mede te wijten zijn aan onbewuste processen. De klachten zijn niet alleen lichamelijk, maar veelal ook psychisch en spiritueel van aard.
Door een techniek van aandachtsconcentratie of trance wordt er heel simpel door het boven-gebied, is het dag-bewustzijn, gereisd naar het onder-gebied, het onderbewustzijn, waarbij je eigenlijk als vanzelf een verbinding krijgt met die onbewuste wereld. Trance is niet iets magisch: alleen al het feit dat je geboeid naar deze lezing luistert, of dat je bijvoorbeeld meegezogen wordt in een spannende film, is op zich al een staat van trance.
De staat van aandachtsconcentratie en ontspanning kan je verdiepen en op die manier kun je het onderbewustzijn gaan exploreren. Hierin ligt allerlei informatie opgeslagen. Die informatie is heel persoonlijk en wordt niet door de therapeut aangedragen.
Wat betreft orgaandonatie: op het moment dat je uitsluit dat er zoiets is als een geest of een ziel, of een dag- en/of onderbewustzijn, of je verdringt deze aspecten of hecht er geen belang aan, dan kan je als medicus je in alle gemoedsrust bezig houden met alle praktische aspecten van orgaandonatie.
De laatste jaren komen er meer mensen naar de praktijk van een reïncarnatietherapeut met vragen die betrekking hebben op orgaandonatie en de daarbij ontstane complicaties. Dit varieert van het ontvangen van een orgaan van iemand die net overleden is, of van het ontvangen van bijvoorbeeld een nier van een familielid, en ook wel van het gebruiken van een eigen lichaamsdeel, bv. een bot dat ergens anders in het eigen lichaam weer wordt ‘hergebruikt’.
De cliënt beseft intuïtief dat reïncarnatie bestaat en dat je ziel als het ware door verschillende aardse levens heen reist en dat elk menselijk leven dat jij meemaakt, meewerkt in het opdoen van ervaringen die jou helpen in het doorlopen van een evolutieproces, een bewustzijnsproces. Het hele scala aan ervaringen zou te veel zijn om in één leven te beleven. Het gegeven dat je al meerdere levens hebt beleefd, impliceert automatisch dat je ook al meerdere keren bent doodgegaan. Therapeutisch is het dan ook interessant en zinvol om aandacht te besteden aan traumatische ervaringen en/of stervenservaringen in vorige levens die niet goed verwerkt zijn.
Dit proces staat ook bekend als ‘Unfinished Business’. Ziekte of bijvoorbeeld een handicap in een nieuw leven is een echo uit het verleden, om in het huidige leven verder uit te werken. Ook een traumatische dood kan bijdragen aan ongewenste verschijnselen die je in je verdere ontwikkeling in de weg kunnen zitten. Je zou dit karmische belasting kunnen noemen.
Dit impliceert dat op energetisch gebied er niet één orgaan is dat exact gelijk is aan een ander orgaan van een andere persoon (ook al lijkt dit wel hetzelfde op het materiele, biologische vlak).
Elk orgaan heeft een celgeheugen en een energetische imprint met een ingebakken opdracht van hoe te functioneren. Mijn nieren hebben een andere frequentie dan die van de buurman. Dit is dus afhankelijk van mijn levenservaringen en de mate van het wel of niet gemakkelijk stromen van energie door mijn systeem. Ons lichaam en bijgevolg onze organen zijn doorweven van onze zielsenergie, met een energetische vibratie. Dit geeft een imprint op de organen en cellen naar gelang de sterkte van die vibratie.
Als voorbeeld is er het verhaal van een soldaat die in de Eerste Wereldoorlog een kogel door zijn buik heeft gekregen die de nieren heeft vernietigd en dit is de kwestie waarmee die soldaat is overleden: door die kogelwond blijft er een energetische imprint in de nieren en in een nieuw lichaam herinneren de nieren zich die kogelwond. Er is niet altijd een opschoning tussen twee levens in, waardoor je weer met frisse moed en een schone lei kunt door-incarneren. Nu heeft die ziel in dat nieuwe lichaam het nodig om in een familiesysteem terecht te komen waar nierproblemen spelen, zodat die betreffende organen (als ze problemen gaan veroorzaken) hem kunnen helpen herinneren aan de zaken die hij ooit heeft achtergelaten. Die informatie wordt dus energetisch meegedragen (bijna net zoals een homeopathisch principe). Zodra het orgaan niet meer goed functioneert of er zelfs een orgaan-falen optreedt, dan betekent dat eigenlijk zwart-wit dat de energetische informatie die bij die nier hoort, niet meer vrij kan stromen en vloeien zoals het zou moeten, ten gevolge van die stagnatie. Het orgaan gaat zich daar naar gedragen door bijvoorbeeld ineen te schrompelen en disfunctioneel gedrag te vertonen.
Nu komt de kwestie van orgaandonatie om de hoek kijken. Hier volgt een voorbeeld van een dame, van inmiddels 46 jaar, in mijn praktijk die op haar 16e een heel ernstig verkeersongeluk heeft gehad. Zij heeft een verbrijzelde knie en er is een deel van het bot uit haar heup genomen om daarmee een nieuwe knieschijf te vormen. Het lichaam reageerde hierop met talloze pijnklachten. Het waren in dit geval niet zozeer afstotingsverschijnselen maar een algehele toestand van malaise en niet goed willen genezen.
Het immuunsysteem en het afweermechanisme zorgen voor afstotingsverschijnselen (zeker bij een donororgaan van een wildvreemde) wat traumatisch doorwerkt op de organen en natuurlijk op het algehele welzijn.
Nu blijkt dat elke cel een bewustzijn heeft en een instructieplan. Elk lichaamsdeel en elk orgaan hebben een eigen, specifieke frequentie en een eigen, specifiek programma. Bij angst, paniek en/of rampzalige gebeurtenissen ontstaat er een dissociatie in de ziel en kan er vluchtgedrag ontstaan.
Na de transplantatie zou het enorm helpen dat de lichaamsdelen zich bewust worden van hun nieuwe taak, als het ware opnieuw moeten worden geprogrammeerd, niet alleen mentaal, maar ook op emotioneel en spiritueel gebied.
Wat er nu in feite is gebeurd, is het volgende: de knie wordt toegesproken en het heupbot dat is overgeplant krijgt instructies hoe het zich nu dient te gedragen. De nieuwe knie moet weten wat er van hem wordt verlangd en hoe hij kan bijdragen aan een goed functioneren. Dus het heupbot wat nu in de knie zit moet zich realiseren dat het nu een taak heeft tijdens het lopen en bewegen van de knie. Ook de versplinterde knie krijgt nu te horen dat het trauma van het ongeluk wordt opgelost door de transplantatie en de knie krijgt dus hulp bij het nieuwe functioneren. In feite werken de heup en de knie met andere frequenties en die moeten nu gaan samenvallen.
Door het ongeluk of het trauma heeft er een dissociatie plaatsgevonden, het zielsbewustzijn gaat zich onthechten en trekt zich deels terug uit het dagbewustzijn. Door het herbeleven van in dit geval het verkeersongeluk, komt er een besef bij het overgeplaatste heupbot en de verbrijzelde knie: ja, er is iets heel ergs gebeurd, maar nu proberen we het op deze manier op te lossen. Dus de lichaamscellen moeten zich resetten en zich richten op hun nieuwe taak. De emoties van de cliënt zijn heel wezenlijk en noodzakelijk om de verschillende vibraties en frequenties op een lijn te krijgen en in samenhang te gaan werken.
Als er alleen maar een mentaal, verstandelijk begrijpen van de situatie is, gebeurt er eigenlijk niks, maar als er ook begrip daagt op emotioneel gebied dan blijkt dat de frequenties gaan samenvallen en op één niveau gaan resoneren. Uiteindelijk blijkt na een week of vier dat het lopen en functioneren van de knie bij de cliënt vele malen beter gaat, er veel minder pijnklachten zijn en er een hele verbetering heeft plaatsgevonden vanaf het punt van de transplantatie: het gaat hier dus beslist verder dan louter suggestie. Hieruit blijkt dat elk lichaamsdeel bewustzijn heeft, alle organen hebben een bewustzijn. De lever, het hart, de knieën, noem maar op.
Dit is in feite nog totaal onontgonnen gebied. Ook de patiënt die een nieuw orgaan heeft ontvangen, is zich niet bewust van deze materie en is louter op het niveau van het dagbewustzijn aan het functioneren. Pas als ten gevolge van meestal een traumatische of andere heftige gebeurtenis, er zich allerlei zaken gaan afspelen, blijkt dat er een andere werkelijkheid is; het individu raakt ervan doordrongen dat er nog een hele wereld in het onderbewuste ligt.
Bij een fataal verkeersongeluk, een lichamelijk falen, of nog erger, een misdrijf, is de enorme shock de toonzetter van het hele gebeuren. Als het overlijden plaatsvindt op een heel abrupte manier die niemand zag aankomen, zeker het slachtoffer niet, dan is de overgang het lastigst. Het is beslist niet zo, dat als iemand een hartaanval krijgt en dood neervalt en dit voor de achterblijvers wordt betiteld als ‘een mooie dood’, dit ook zo uitpakt voor het slachtoffer.
In feite zijn dit de meest gecompliceerde sterfervaringen die er zijn. De ziel snapt eigenlijk niet goed wat er allemaal aan de hand is. Hoe abrupter het stervensproces zich voltrekt en hoe groter de fysieke verwondingen of verminkingen, met een hoop toeters en bellen op de Eerste Hulp; des te groter de shock: het energetisch-magnetische veld valt uit elkaar en dan is de overgang vaak bijzonder dramatisch voor de ziel.
In principe verkeert iedere donor in shocktoestand. Dan moet je beseffen dat in een shocktoestand er zich allerlei verschijnselen voordoen, denk aan spierverkramping, het aanmaken van stresshormonen en het plaatsvinden van diverse stofwisselingsprocessen. In deze dissociatieve staat van bewustzijnsvernauwing wordt iemand de operatiekamer binnengereden, gestrest en in paniek en wordt daar aan het beademingsapparaat gelegd voor de orgaantransplantatie.
Dit is natuurlijk heel lastig en gecompliceerd, zeker als de omstanders er van uitgaan dat de overleden persoon zich nu in een vredige staat bevindt. Het vredige gevoel ontstaat echter pas als de ziel zich volledig heeft kunnen losmaken van het fysieke gebeuren.
Iemand die tegen een boom aanrijdt en zo verongelukt, komt in een split second in een shock situatie, het lichaam zit soms bekneld in de auto en het grootste deel van de ziel komt nu los van het lichaam. De ziel blijft nog verbonden aan het lichaam dat nu in een soort overlevingsmechanisme schiet. Het lichaam wordt dan naar een ziekenhuis overgebracht en onderworpen aan allerlei tests om te kunnen vaststellen of de dood al is ingetreden. In deze chaotische, dissociatieve toestand worden er organen uitgehaald en die worden dan verplaatst naar iemand anders. Dan wordt de stekker eruit getrokken en het slachtoffer overlijdt.
Wat er dan gebeurt, is in feite heel bijzonder, want een deel van de levensenergie van het slachtoffer is nu via de gedoneerde organen verbonden met de donor die later weer vrolijk verder leeft. De ziel kan nu niet verder, hij kan nog niet loskomen van de aardse verbondenheid. Hij zit nu gedeeltelijk verbonden aan de donor, soms ook nog aan zijn eigen achtergebleven partner, evt. kinderen of geliefde familieleden en het is een illusie te veronderstellen dat die ziel is overgegaan en verder kan. Dat is niet zo.
Een ander voorbeeld uit de praktijk gaat over een voorval met twee zussen. Een vrouw is de jongste van het stel kinderen. Ze vertelt over haar oudste zus, die ziek werd en leukemie kreeg, en wel heel snel nadat de vader is overleden (net alsof de oudste nu toch niets meer te doen had!) De jongste heeft haar beenmerg afgestaan aan haar zus, en het mag wel duidelijk zijn dat er hier veel meer wordt overgedragen dan ‘alleen maar’ een beetje biologisch materiaal. De gedachte die onbewust bij die jonge donor heeft gespeeld, is: “Laat me niet in de steek, want zonder jou is het niet veilig voor mij.” Heel begrijpelijk natuurlijk, maar er speelt wel een hele reeks van emoties over veiligheid, geborgenheid en bang om alleen gelaten te worden. De oudste heeft het beenmerg ontvangen en daaropvolgend nog anderhalf of twee jaar geleefd, wat op zich al wel bijzonder is, maar zij is uiteindelijk toch overleden. En hier is de kern van het probleem: in feite is het beenmerg weggegeven, is nu overbodig, wordt door de jongste gemist en het beenmerg zelf weet niet waar het aan toe is, er is een soort van contractbreuk en geen rectificatie.
Door al deze perikelen werd de jongste zus ook ziek. Zij kwam naar de praktijk en daar kwam al gauw boven water dat er nog steeds veel onverwerkte woede was en angst met betrekking tot de agressie van de vader.
Dit is nu het mooie van het werken met regressietherapie: in betrekkelijk korte tijd komen al deze gegevens boven water en zo kreeg de vrouw eindelijk het besef van wie haar vader werkelijk was en waar al die woede vandaan kwam. Er komt nu een bewustzijnsgolf op gang die tot die tijd geblokkeerd was en onbewust voor veel frustraties zorgde. Ook kwam er tijdens de sessie een contact met de oudste zus tot stand, er werden gerichte vragen gesteld aan de energie van het getransplanteerde beenmerg met het verzoek of die energie alsjeblieft weer thuis wilde komen naar het systeem van de jongste.
Op een heel diep niveau werden er allerlei zaken rechtgezet waar de jongste zus heel veel profijt van heeft gehad.
Hieruit blijkt duidelijk dat er bij een transplantatie meer dan alleen een biologisch pakketje wordt overgezet maar dat er een veelheid van emoties, orgaanbewustzijn en cel-informatie mee wordt overgedragen. Nu kan er een overdrachtsritueel plaatsvinden, een ceremonie waarin Maarten door een sjamaan is onderwezen. Er komt een “Rite of Passage” of overgangsritueel. Hier komen op spiritueel niveau de donor en de ontvanger tegenover elkaar te staan, waarbij de donor zijn hart of lever overdraagt aan de ontvanger. Dit is werkelijk een kippenvelmoment. De beide partijen voelen dat er zich meerdere processen afspelen en vaak komt er ook een boodschap van de donor, in de trant van: doe er iets goeds mee, geniet van je leven. Nu beseft de ontvanger dat er een stuk verantwoordelijkheid bij komt kijken (naast gevoelens van dankbaarheid die vaak al aanwezig zijn).
Dit is wat Maarten met ons wilde delen betreffende het onderwerp van orgaandonatie en wat er met regressietherapie bereikt kan worden.