Met de woorden: „Beste vrienden, beste reisgenoten. We zijn allemaal zwervers en we zijn allemaal onderweg”, begint Piet zijn lezing:
Wij herbergen diep in ons het kind, niet alleen het biologische kind, het telbare kind, voortgekomen uit biologische ouders, maar ook het ontelbare kind dat z’n oorsprong heeft in geestelijke werelden, geboren uit de geestelijke man en vrouw, geboren uit het mannelijke en het vrouwelijke principe dat het hele universum doortrilt.
Om bij onze geestelijke oergrond te komen, hebben wij in het heimweegevoel een geschikte gids, aan wie het kind in ons zich juist gemakkelijk toevertrouwt vanwege spontaniteit en een aanwezigheid zonder bedenkingen. Die tocht naar wie we waren in ons geestelijk geboorteland veronderstelt niet dat wij afstand doen van deze wereld waarin we leven. Integendeel, het is goed de wereld met een tedere kracht of met een krachtige tederheid te beleven, te betreden en te verkennen, om uit te vinden wat het blijvende is en wat het verdwijnende is.
Piet laat ons twee schilderijen zien van Pieter Dirk Torensma: Bloemenkind en Het wonder van de groei. We zien er de hemelse sfeer en de aardse sfeer. Er ontstaat een lichaam op de aarde dat bewoond gaat worden door een zielswezen dat uit hogere sferen komt. Het kind is in de aarde via de bloem, maar het is ook in het spirituele licht. Er gaat een koord uit de buik van het kind naar de spirituele laag, naar het hoogste hemellicht.
De naam Vuurkoord van het heimwee had Piet al bedacht voordat hij Pieter Dirk Torensma kende. Diens schilderijen voldoen volkomen aan Piets voorstelling van zaken, nl. dat er in spirituele zin een draad gespannen is naar onze herkomst uit de spirituele wereld en dat er natuurlijk ook een draad gespannen was naar onze biologische moeder.
Ons heimwee gaat uit naar onze spirituele herkomst. Het is het verlangen naar een vroeger land, naar een voorwereldlijk bestaan. In herinnering zit het woord in. We maken weer gaande wat in ons aanwezig is.
In het boek De stille plantage van Albert Helman komt het zwervende gevoel, dat er een ander leven is waaruit wij vandaan komen, ook naar voren. Dat leven probeert hele fijne signalen uit te stoten naar ons opdat wij keuzes kunnen maken, opdat wij steeds weer ontdekken wat tijdelijk is en wat blijvend is, wat onze verschijning is en wat het wezen is.
De Engelse filosoof Crewton praat over het gevoel dat de wereld op zichzelf niet volledig is, dat er iets is waarvan zij afhankelijk is en waar zij naartoe neigt. Dat hele gebeuren noemt hij religie. Het woord religie betekent letterlijk herbinding. Dus het gaat erom dat we ons terugkoppelen naar iets wat in de diepte van ons eigen innerlijk aanwezig is. Zolang wij alleen maar met de fysieke, zintuiglijke waarneming te werk gaan en tot onze wetenschap komen, spreekt men in de filosofie van een doxastische manier van waarnemen. Wie zich kan laten inspireren door die hogere frequentie in dat diepere lichaam en daar z’n kennis in kan opdoen, krijgt een heel andere kennis, zegt Plato. Dat is een dyanoëtische kennis. Die kennis gaat dwars door de materie heen, naar de oorsprong.
In de Nag Hammadi geschriften wordt de relatie tussen de oorspronkelijke spirituele werkelijkheid en onze fysieke werkelijkheid als volgt uitgedrukt: Er is een oerbeginsel. De Hoogste Bewuste Intelligentie laat een geur achter. De geur ontstaat op het vuurniveau, komt in de luchtlaag, vervolgens in de waterlaag en uiteindelijk in de aardelaag. In de aardelaag is de geur bevroren, gevangen. Vanuit de aardelaag wordt die geur ook weer uitgeademd, d.w.z. de Goddelijke kracht ademt de geur weer in. En naarmate die geur via de verschillende lagen terugkomt in z’n vuurbron, is de geur weer helemaal bevrijd van z’n gevangenschap en is de hoogste essentie bereikt. Het vijfde element is dat wat boven alles uitgaat, wat volkomen ongrijpbaar is, wat niet formuleerbaar is. Deze kern ontstaat in de vuurlaag.
De mens maakt deze zelfde reis. De kern (de mens in zijn oorspronkelijke volkomen transparante gestalte) ontstaat in de vuurlaag, komt in de luchtlaag, de waterlaag en vervolgens in de aardelaag. De mens is dus de verschijning van een oorspronkelijke werkelijkheid. Als iemand in staat is om dat restant van dat vuur te voelen, raakt hij verbonden met dat kleine restantje dat hem via deze navelstreng weer herleidt tot zijn oorspronkelijke gestalte.
Ook in de bijbel, in de Griekse mythologie en bij dichters zie je het belang van die elementen. Adriaan Roland Holst bijv. heeft in zijn gedichten voortdurend het beeld van de mens die aan de rand van het continent staat. Wij zijn allemaal geboren, aangeland op aarde, worden geïnspireerd door het heimwee en moeten dan terug van dat continent, van die aardelaag naar dat hoogste vuur.
Vuurkoord van het heimwee begint met een ervaring die Piet als kind heeft als hij eens bij de zee staat en bevangen wordt door het geluid van de golven en heel langzaam een boot over de horizon ziet glijden. Dat is voor hem het symbool dat hij ooit weer opgehaald zal worden. Hij krijgt op dat moment de ervaring van een geweldige verwijding in zichzelf en de boot met de zee voert in hem naar binnen. Hij ontdekt dat wat je zelf bent, wat anderen zijn en wat de hele wereld om je heen is, dezelfde oorsprong heeft. Subject en object vallen samen. Die boot ging heel langzaam. Het is het element van traagheid. Het is of je door de traagheid kan indringen in het object. Als we in de diepte van het object of in de diepte van onze handelingen willen komen, dan moeten we traag zijn. We gaan dan waarnemen met onze subtielere zintuigen. Die vertraging doet zich ook altijd voor op momenten van tederheid. Die traagheid en tedere handelingen doen zich in ons leven het sterkst voor bij de mensen die pas geboren zijn en bij de mensen die weer vertrekken. Het manifesteert zich het sterkst aan de grenzen van het leven.
Zoals het aardse lichaam gevoel en verstand heeft, achtereenvolgens het vrouwelijke en het mannelijke, zo hebben wij in onze diepere zielsbeleving ook het mannelijke (de geest) en het vrouwelijke (de zielservaring). De ziel probeert zich wel van binnen uit aan ons kenbaar te maken, maar ons logisch verstand heeft geen instrument om de ziel te formuleren. Dus zal het logische verstand de ziel gemakkelijk kunnen ontkennen. Als dat gebeurt, krijgen we een ontwikkeling in wetenschap, in denken, in inrichting van samenleving die ons steeds verder verwijdert van ons zuivere kind. We komen dan terecht in het eenzijdig, eensporig verstandsdenken. We moeten voeling houden met dat vuurkoord, met de inwendige gang naar het gebied waar alle krachten met elkaar verenigd worden.
Dat wij denken en voelen op elkaar aan moeten sluiten, wordt ook al duidelijk weergegeven in het Genesisverhaal over Kaïn en Abel. Want naar een bepaalde manier van benaderen die in de Kabbala wordt gedaan, betekent Kaïn het denken en is Abel de zielskracht. Het denken heeft de zielskracht vermoord. Die zielskracht moet weer tot leven gewekt worden. Als Kaïn en Abel samengaan, krijgen we de getallen 160 (voor Kaïn) en 37 (voor Abel). Samen vormen ze 197 en dit getal vormt het Hebreeuwse woord Immanuel, wat God is in u betekent. Door denken en voelen te verenigen, worden we teruggebracht naar die oorspronkelijke laag.
Piet eindigt zijn boek Vuurkoord van het heimwee ook met een kindervaring. Een aantal jaren geleden kreeg hij een droom die hem weer bij de zee bracht. Die droom leert hem één ding: het kind is in hem meegevaren.
Als we ons innerlijk kind tot leven wekken, worden we herbonden aan wat het leven in de diepte wil. Als wij vanuit de diepte dat ook in ons toelaten, hebben we een ongebroken hart. En als we vanuit het ongebroken hart werken als volwassenen in de wereld waarin wij ons staande moeten houden, hebben we ook ongebroken daden.
Piet beëindigt zijn lezing met een schitterend stukje uit een gedicht van Marsman:
twee meeuwen hebben in dat uur het nest verlaten.
met kalmen, tragen wiekslag komen zij aandrijven
over de duinen, die nu al bijna donker zijn geworden;
zij vliegen zeewaarts, een ondeelbaar paar
dat voeling houdt met alle krachten
die dezen avond het heelal beheersen,
en meer dan met die krachten met elkaar;
alleen niet met het landschap achter hen,
niet met de warme nesten van hun zwermen,
zelfs niet met hun jongen; zij vliegen westwaarts
in een rechte lijn als zachte pijlen,
die den nacht doorboren,
totdat zij, roekelozen, niet meer kùnnen keren.
Na de pauze beantwoordt Piet van Exter enkele vragen uit het publiek.
Vuurkoord van het heimwee
ISBN 90B72790B04B9
Uitgeverij De Ramshorst B Apeldoor