We gaan terug in de tijd. Terug naar een heel oude tijd, nog voor de uitvinding van het schrift. De oermens leefde in grotten van de jacht. Het was in deze tijd dat de man zich totaal niet bewust was van het feit dat hij iets te maken had met de geboorte van een kind. De link tussen seksualiteit en geboorte werd nog helemaal niet gelegd, dat is pas in een veel later stadium gebeurd. Uit deze periode die teruggaat tot wel dertigduizend jaar voor Christus, zijn ontzettend veel beeldjes gevonden van vrouwfiguren. Wat waren dit voor beeldjes? Wat kunnen we hieruit afleiden over de verhouding tussen het mannelijke en het vrouwelijke door de eeuwen heen? Jacob Slavenburg neemt ons mee op een reis langs de Grote Godin en langs Lilith om uiteindelijk uit te komen bij de Hieros Gamos, de heilige bruiloft. Een boeiende lezing, vooral omdat Jacob Slavenburg dankzij zijn jarenlange studie en de vele boeken die hij over deze onderwerpen heeft geschreven, kan putten uit vele prachtige mythes en anekdotes die onze geschiedenis rijk is en die hij vol enthousiasme met ons wist te delen.
De Grote Godin
Bijna alle oude culturen zien we op een gegeven moment ontstaan op plaatsen aan grote rivieren. Langs deze rivieren kon men beschikken over vruchtbare grond. We zien dat mensen zich gaan vestigen langs de Eufraat en de Tigris in Babylonië, langs de Nijl in Egypte, maar ook bijvoorbeeld langs de Ganges in India. Vruchtbare grond en vruchtbaarheid in de zin van menselijke geboorte waren voor het voortbestaan van een volk in die tijd van levensbelang. Het is onder meer uit deze periode en van ver daarvoor dat er beeldjes zijn gevonden die vrijwel allemaal vrouwfiguren laten zien met grote borsten, bolle buiken en brede dijen. Deze uitvergroting van de vrouwelijke vormen is waarschijnlijk bedoeld om de volheid van het leven en de vruchtbaarheid weer te geven. Onderzoekers gaan er verder van uit dat deze beeldjes een verbeelding zijn van de Grote Godin, ook wel Moedergodin of Grote Moeder genoemd. Zij was niet alleen het symbool voor de bron van al het leven, maar ook de manifestatie van het mysterie van het geboorte en dood. Je zou kunnen zeggen dat de Grote Godin het superbeeld was van het bestaan, van het vrouwelijke en het vruchtbare. Naast fascinatie was er in die tijd ook enige huiver voor de vrouwelijke vruchtbaarheid. Opvallend is verder dat er veel godinnenbeelden zijn gevonden waarin de godin op een troon zit. De troon als symbool om de belangrijke positie die de Godin inneemt te benadrukken. De naam van de Egyptische godin Isis betekent in het oud Egyptisch ook letterlijk ‘de troon’.
De Godin wordt van haar troon gestoten
Op een gegeven moment zien we een omslagpunt komen. We zien in de mythologie verhalen ontstaan waarin de godin van haar troon wordt gestoten. In een scheppingsmythe uit het oude Egypte, lezen we dat de schepping ontstaat uit de grenzeloze chaos, de vrouwelijke oer-oceaan Nun. Uit deze oer-oceaan rijst vervolgens een heuvel op waarop Atum verschijnt, de eerste mannelijke god. Hij neemt de macht van Nun over en uit zijn zaad komt het nageslacht voort. In Mesopotamië zien we dat de oermoeder Tiamat van de troon gestoten wordt door haar kleinzoon Marduk. In een scheppingsmythe uit het oude Griekenland krijgt de oergodin Gaia een zoon, Oeranos, met wie zij trouwt en kinderen krijgt. Als Oeranos eenmaal op de troon zit, is hij bang dat hij door één van zijn kinderen van zijn troon gestoten wordt. Hij verbant zijn kinderen naar Tartarus, de onderwereld. Eén van de zonen, Kronos, weet te ontsnappen en neemt uiteindelijk de scepter van zijn vader over. Niet veel later wordt hij zelf door zijn jongste zoon Zeus van de troon gestoten. In al deze mythen bestijgen mannelijke nazaten de troon die eens aan de moedergodin behoorde. Of zouden we kunnen stellen dat de moedergodin de ´troon op zich` is. Is haar zittende houding met al dan niet een kind op schoot niet de troon zelf?
Van matriarchaal naar patriarchaal
Daar waar men lange tijd dacht dat de godin een afgeleide was van één of meerdere goden, hebben we net gezien dat het niet een god maar een godin was die in hele oude tijden de boventoon voerde. Je zou kunnen zeggen dat het ontstaan van goden eigenlijk pas de tweede episode in de geschiedenis van de mensheid behelst. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat er in den beginne sprake was van een meer matriarchale moederlijke samenleving, wat onder meer blijkt uit het feit dat dorpen uit deze tijd geen muren kenden. Het waren samenlevingsvormen die niet agressief naar buiten toe waren. Misschien wel naar binnen toe, maar daar weten we nog te weinig van. Bij latere steden en dorpen die meer patriarchaal zijn, hebben archeologen grote muren en verdedigingswerken ontdekt en zijn er ook wapens gevonden. Daar waar een matriarchale samenleving heel sterk gericht is op verbinding, is een patriarchale samenleving meer gericht op expansie, verovering, oorlog en uitbreiding naar buiten toe. De overgang van matriarchaal naar patriarchaal heeft nogal wat consequenties gehad. Eigenlijk is met deze overgang de kiem gelegd van de ontwaarding van het vrouwelijke. Besef wel dat alles wat om ons heen gebeurt een bepaalde zin en betekenis heeft. Dat is niet altijd de zin en betekenis die wij leuk vinden, maar in de grond is het altijd een energie die niet weg te denken is. Ook al gaan goden een steeds belangrijkere plek innemen, toch blijven er door de loop van de geschiedenis nog steeds godinnen vereerd worden, zoals bijvoorbeeld Venus en Aphrodite. Dat de waardering van het vrouwelijke verandert, zien we onder meer terug in de bijbel. In het eerste Bijbelboek Genesis 1-2.4a staan eigenlijk twee scheppingsverhalen naast elkaar. Eerst het scheppingsverhaal waarin de mens pas op de zesde scheppingsdag gevormd wordt: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen’. Vervolgens staat in Genesis 2.4b-3 een nieuw scheppingsverhaal, waarin eerst de mens Adam wordt geschapen, die zowel mannelijk als vrouwelijk is. Ten dienste van deze mens wordt verder alles geschapen: de vogelen des veld, de vissen in de zee en zo meer. Adam heeft dan eigenlijk alles wat zijn hartje zou moeten begeren, maar is toch nog eenzaam. God besluit dan om een hulpje voor hem te maken en brengt de mens Adam in een bewusteloze slaap. In de moderne Bijbelvertaling staat nog steeds dat er vervolgens een rib weggenomen wordt, maar in de Griekse grondtekst Septuaginta staat ‘pleura’ wat het beste vertaald kan worden met ‘zijde’ of ‘flank’. De indruk wekken dat de vrouw uit een rib van een man geschapen is, geeft al de richting naar minderwaardigheid van de vrouw aan.
Lilith
Indien we de Talmoed erbij nemen, dan zien we daar dat rabbi’s aangeven dat er voor Eva nog een andere vrouw moet zijn geweest. Het eerste scheppingsverhaal zou dan over Adam en zijn eerste vrouw gaan en het tweede scheppingsverhaal over Adam en zijn tweede vrouw Eva. Deze rabbi’s stellen dat als er in het eerste verhaal gesproken wordt over ‘mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen’ dat er dan dus ook een vrouw moet zijn geweest. Dat zou Lilith zijn. Het verhaal gaat dat Lilith bij het vrijen bovenop wilde liggen. Adam wilde dit niet omdat zij de mindere was en hij vond dat zij daarom onder moest liggen. Lilith pikte dat niet en vlucht naar de woestijn. Adam is ontroostbaar en gaat naar zijn vader, de Heer wiens naam we niet mogen uitspreken. Deze stuurt drie gezanten naar Lilith die haar proberen over te halen om weer terug te gaan naar Adam, maar ze weigert. Adam blijft alleen achter, totdat hij in het volgende verhaal met Eva trouwt. In latere mythen wordt Lilith afgeschilderd als een duivelin die mannen verleidt als zij alleen in huis slapen. Ook zou Lilith kinderen verslinden.
Het verhaal van Lilith laat zien dat er een overgang heeft plaatsgevonden van de tijd waarin de verering van het vrouwelijke als het levengevende centraal stond, naar een tijd waarin het demonische in de vrouw wordt benadrukt. In de Hermetica leer je echter dat er altijd een evenwichtzoekende kracht is. Vergelijk het met een slinger die van links naar rechts beweegt maar uiteindelijk in het midden tot stilstand komt. Het evenwicht wat ook wordt uitgebeeld in de vorm van het kruis: op het kruispunt van het lange en het korte stuk bevindt zich het rustpunt. In dit geval zie je de beweging opkomen dat het vrouwelijke vreeswekkend wordt, maar tegelijkertijd zie je dat daar later ook weer iets anders voor in de plaats komt. Godinnen die eigenlijk ondergodinnen waren, groeien uit tot moedergodinnen, zoals bijvoorbeeld Isis. In Babylonië zie je dat bijvoorbeeld ontstaan met Inanna, de stadgodin van het steeds machtiger wordende Uruk in Soemerië. Als je het ene wegdrukt, dan komt er iets anders voor in de plaats om het natuurlijke evenwicht te hervinden. Zo ook met Lilith. Eens weggezet als beruchte nachtdemon, is Lilith tegenwoordig populair in vrouwenbewegingen vanwege haar onafhankelijkheid. Op zich is daar natuurlijk niets op tegen, maar het vereren van beelden of goden buiten jezelf kan ook een valkuil zijn. Lilith is enerzijds de aantrekkelijke godin die voor hartstocht en seksualiteit staat en aan de andere kant staat ze volgens Carl Gustav Jung symbool voor onbestemde angsten in het onderbewuste die vaak diep in ieder mens verborgen zitten, zowel in mannen als in vrouwen.
Hetzelfde zie je gebeuren met Eva. Enerzijds zie je dat de Katholieke kerk Eva heeft weggezet als de grote zondares die de zonde in de wereld heeft gebracht, wat heeft geleid tot de meest verschrikkelijke praktijken zoals bijvoorbeeld de heksenvervolgingen. De vrouw wordt weggezet als minderwaardig en gezien als een leugenachtige verleidster. Aan de andere kant zie je dat er verhalen verschijnen waarin de vrouw wordt geroemd om haar wijsheid, zoals bijvoorbeeld in de graallegende van koning Arthur. Daar is de heks juist de vrouw waarin de vrouwelijke wijsheid en het levenscheppende principe nog volop aanwezig zijn. In de gnostische geschriften wordt Eva zelfs als verzetsheldin gezien omdat zij het gebod trotseerde van de jaloerse scheppergod die zei dat ze niet van de boom van kennis van goed en kwaad mocht eten. Kennis van goed en kwaad is juist wat de mens nodig heeft!
Hieros Gamos door de eeuwen heen
Wat we door de eeuwen heen ook van karakter zien veranderen is de Hieros Gamos, het Griekse woord voor ‘heilige bruiloft’. In de klassieke oudheid beleefde men de Hieros Gamos als de heilige verbinding tussen hemel en aarde: de God van de hemel verbindt zich met de Godin van de aarde. Twee elementen die sterk met de Hieros Gamos zijn verbonden zijn seksualiteit (of de uitsluiting daarvan) en vereniging of mystieke versmelting. Waar in eerste instantie dit een zaak was tussen goden en godinnen, zien we in latere verhalen dat er ook omgang komt tussen goden en mensen. Bekend zijn in dit verband de verhalen over de seksuele escapades van Zeus, de Griekse oppergod, de vereniging van Dionysos met Ariadne op Naxos of die van Amor en Psyche. In het oude Perzië werd het lentefeest gevierd waarbij een uitverkoren jongeling tot de symbolische koning, de Zoganes, van het rituele feest werd gekroond. Een aan de godin Inanna gewijde priesteres ontving hem in haar tempel op de top van een ziggoerat. Zij bedreven dagenlang de liefde, wat tevens het startsein was voor de verzamelde menigte om zich dagen en nachten lang over te geven aan geslachtelijk verkeer met welke man of vrouw dan ook. Tegenwoordig zouden we dit orgieën of seksuele uitspattingen noemen, maar in die tijd was het een offer aan de vruchtbaarheid en gericht op voorspoed. Overigens overleefde de Zoganes het feest niet. Aan het einde van het feest werd zijn hart uit zijn lichaam gehaald en geofferd. Het zijn wrede verhalen als je dat nu leest. Ook in andere scheppingsmythen worden heel vaak goden of mensen geofferd. Door middel van de Hieros Gamos konden in de oude verhalen goden verliefd op elkaar worden en nieuwe goden of halfgoden voortbrengen, waar uiteindelijk ook de schepping van de mens uit voortgekomen zou zijn.
Liefde en verlangen als drijfveer
De voornaamste drijfveer van de mens komt voort uit een verlangen. Lagere begeertes zijn voornamelijk gericht op materie en op iets willen bezitten, terwijl het bij hogere verlangens meer gaat om een beter en volwassen mens te worden. In ieder mens vind je overigens beide soorten terug. Liefde is ook een verlangen. Liefde is tevens het symbool waaruit geboorte ontstaat. Langzamerhand zie je dan ook dat de heilige bruiloft meer en meer de betekenis krijgt van de vereniging van het mannelijke en het vrouwelijke. Door Jung is dit uitgewerkt in de archetypen van de anima en de animus die allebei in ieder mens aanwezig zijn. In de primitieve staat zijn dat nog twee afgescheiden krachten. Dat zagen we ook door de geschiedenis heen. Van de verering van de Grote Godin, ging het langzamerhand over naar de verering van meer mannelijke goden. Van godinnen naar goden die uiteindelijk samen opgaan in de Hieros Gamos. In het Christendom zien we dat er een kuise Hieros Gamos ingevoerd wordt. Een Hieros Gamos waar het juist niet gaat om de seksualiteit, maar waar het verdiept wordt tot een innerlijk gebeuren. In plaats van het verlangen naar seksuele vereniging, komt het verlangen om tot volkomen mens te worden. Het evangelie van Judas spreekt hier bijvoorbeeld over. Deze twee verlangens kunnen overigens ook prima samen gaan. Jung vertaalt het verlangen om tot volkomen mens te worden in het pad van individuatie of zelfrealisatie. De Hieros Gamos is dan de mystieke eenwording waarin de verbinding tussen de geest en de ziel centraal staat. In de Hermetische geschriften van Hermes Trismegistos, staat een prachtige scheppingsmythe waarin hemel en aarde als symbolen voor de geest en de ziel, zich met elkaar verenigen. Hemel en aarde worden één. Niet in de zin van het samenbrengen van twee losse elementen, maar in de zin van bewust worden dat alles één is.
De twee tot één maken: Ken Uzelve
De queeste naar het diepste zelf kent vele symbolen. Als je die leert verstaan, dan voel je iets meetrillen in je eigen ziel. In diepste wezen zijn deze symbolen de uitdrukking van iets wat het meest intieme is wat wij kennen: ons eigen wezen, dat wie we waarlijk zijn. In het Evangelie Thomas zegt Jezus: “Als jullie de twee tot één maakt, dan zul je binnengaan in het koninkrijk” en “Als jullie weer worden als kinderen, dan ga je het koninkrijk in”. Als zijn leerlingen niet begrijpen hoe zij weer als kinderen kunnen worden, legt Jezus uit: “Als je het boven maakt als het beneden en het beneden als het boven, als jullie het binnen maken als het buiten en het buiten als het binnen, als jullie het mannelijk en het vrouwelijk tot één en hetzelfde maken, zodat het mannelijke niet louter mannelijk meer is en het vrouwelijke niet louter vrouwelijk, dan zullen jullie binnengaan in het koninkrijk”. Het koninkrijk is hier niet een verre plaats in de hemel of ergens in de toekomst als bijvoorbeeld Christus zal wederkeren. Jezus zag het koninkrijk als een bewuste toestand in het hier en nu. Een bewuste toestand van de bewust levende mens die in zichzelf de twee tot één heeft gemaakt. Om die twee tot één te maken, zul je de krachten en de natuur in jezelf eerst moeten leren kennen. Eén van de oudste spreuken uit de wereldgeschiedenis is nog steeds zeer actueel “Ken Uzelve”. Het zijn de woorden die prijkten op de tempel van Apollo, de plek waar de oude Grieken het Orakel van Delphi raadpleegden.
Een terechte vraag die vaak wordt gesteld is waarom er eerst twee moeten zijn en het niet gelijk één kan zijn. Dit heeft te maken met het feit dat het eerst kenbaar moet worden. In het Oude Testament staat dat God de aarde scheidt van het natte opdat het kenbaar wordt. Als het namelijk al één was, zouden we het niet als één kunnen herkennen. De twee heb je net zolang nodig totdat je ervaart dat het niet twee is, maar dat het één is. Tot die tijd leven we in de dualiteit en is er plus en min, onder en boven, links en rechts, enzovoort. De twee schijnbare tegenkrachten zijn geen tegenkrachten, maar twee kanten van dezelfde medaille. Zelfkennis brengt ons bij wie we werkelijk zijn. Als we de vrouwelijke en de mannelijke kant in onszelf integreren, kunnen we zeggen dat we niet één geworden zijn, want dat waren we al, maar dat we ons weer bewust geworden zijn van de eenheid. Dan zijn we een lichter mens geworden, een levend mens. Veel over dit thema vind je terug in de Nag Hammadi geschriften. De christelijke godsdienst daarentegen heeft dingen heel sterk in het fysieke getrokken, zoals bijvoorbeeld de maagdelijkheid van Maria. In de tijd waarin dit verhaal zich afspeelt, wist iedereen dat met maagdelijkheid een geestelijke kracht werd bedoeld. Als je alles heel sterk in het fysieke trekt, loop je het gevaar dat je het geestelijke loslaat en er allemaal dogma’s ontstaan. Zodra je dingen puur gaat vermaterialiseren, raak je de verbinding met de oorsprong kwijt. Dat is ook het voornaamste verschil tussen religie en godsdienst. Religie gaat vanuit het Latijn gezien over verbinden, in dit geval zou je kunnen zeggen je opnieuw verbinden met de oerbron, je verbinden met de eenheid. Godsdienst gaat over dienst aan god, waarmee je per definitie al twee van elkaar gescheiden elementen creëert. Verder zul je bij een godsdienst moeten bepalen wie die god is. We weten allemaal dat daar al vele oorlogen over gevoerd zijn, die ook nog eens miljoenen mensen het leven heeft gekost. Het is een strijd die nog steeds gaande is.
Inwijdingsweg langs zeven hemelsferen om tot zelfverwezenlijking te komen
Vroeger dacht men dat alle planeten, inclusief de zon en de maan, om de aarde heen draaiden. Zowel in het Egyptische dodenboek, in het evangelie van Maria Magdalena als in Poimandres, het eerste traktaat uit het Corpus Hermeticum, lees je dat er een inwijdingsweg is door de zeven hemelsferen. Hemelsferen die respectievelijk geregeerd worden door de toenmalig bekende planeten: Maan, Mercurius, Venus, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Men bezag dit in die tijd vanuit de aarde. Toen Galileo en Copernicus ontdekten dat de aarde om de zon draait, gaat men van een geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld. De aarde gaat dan ook zinnebeeldig meer betekenen. De zon en de maan zijn zinnebeelden van het huwelijk waarin de zon staat voor het naar buiten gerichte, uitstromende principe en de maan voor het naar binnen gerichte, ontvangende principe. Mercurius staat voor het denken en het handelen, maar ook voor de listigheid en de leugen. Venus staat voor begeerte, maar ook voor liefdeskracht. De zon staat zowel voor warmte, voor uitstraling, maar ook voor hoogmoedigheid. Mars staat voor het pure driftleven, maar ook voor de energieke kracht. Jupiter staat voor aandriften van materie en rijkdom, maar ook voor religie, wijsheid en studie van het hogere. In het evangelie Maria Magdalena of in Poimandres lees je dat we af moeten rekenen met die krachten. Dan lijkt het alsof het allemaal negatief is, maar dat is niet zo. Aan onze lichte kanten hoeven we immers niet zoveel te doen, het zijn de talenten die je meegekregen hebt.
Zelfrealisatie
De weg van individuatie en zelfrealisatie begint vooral langs de kanten van de persoonlijkheid zoals die in de wereld naar buiten treedt. Jung hanteert de term ‘persona’ wat in het Grieks masker betekent. Wij dragen allemaal maskers als onderdeel van onze persoonlijkheid. Die maskers laten niet zien wie we waarlijk zijn, de persoonlijkheid is maar een deel van je ware Zelf. Doordat we zo sterk met onze persoonlijkheid geïdentificeerd zijn, kom je niet bij de wezenlijke kern die er aan ten grondslag ligt. Jezus gebruikt in het evangelie van Thomas het beeld van kleren die je aantrekt. Kleren die je aantrekt om lief of aardig gevonden te worden of om niet uit de pas te lopen. Het zijn allemaal lagen die als het ware diep om je wezenlijke kern heen liggen. Jezus probeerde mensen wakker te maken om ze weer terug te brengen naar die staat van Zijn, waarin zij zich weer konden herinneren wie ze ten diepste wezen waren. Die weg gaat ook langs onze schaduwkanten, kanten die we vaak liever niet willen zien. Besef wel dat er geen enkel leven is waarin alleen maar prettige dingen gebeuren. Eén van de belangrijkste dingen in het leven is hoe wij met dat wat in het leven op ons afkomt, omgaan. Dat leer je op de weg van individuatie en zelfrealisatie. Jacob Slavenburg illustreert dit met het verhaal van een moeder die naar de Boeddha gaat nadat haar kind gestorven is. Ze heeft al weken lang gehuild en haar verdriet is ondraaglijk. Zij vraagt de Boeddha of hij haar dochtertje terug kan brengen. De Boeddha kijkt haar vriendelijk aan en zegt: “Hier heb je een kom. Vul die met rijst uit een huis waar nog nooit iemand gestorven is.” Moeder gaat op weg en na een aantal weken komt ze terug met een lege kom. Overal waar ze kwam, was er wel iemand gestorven. Toen ze opnieuw voor de Boeddha stond, keken ze elkaar diep in de ogen en toen begreep ze het. Natuurlijk is het hartverscheurend als een dierbare sterft, maar het leven gaat wel door. Als je blijft hangen aan de dingen die je overkomen in het leven, word je geestelijk gezien onvruchtbaar en kan dat jou zo blokkeren dat je niet meer aan de rest van je vervulling toe kunt komen. Het leven dient geleefd te worden. Doorleefde ervaringen doen een mens groeien in wijsheid.
Inwijdingsweg toen en nu
Wij evolueren in de tijd. De mens van nu kun je niet meer één op één naast de mens van toen leggen. Vroeger was het zo dat de mens nog door anderen, door rituelen en krachten buiten hem zelf om, opgetild kon worden in zijn Zijn. De inwijding van de mens van nu is een inwijding door het leven zelf. In ons leven gebeurt in een week ongeveer evenveel als dat er vroeger in twee á drie jaar gebeurde. Onze constitutie is dan ook heel anders. In onze tijd is het niet persé gemakkelijker dan dat het vroeger was. Wel is het zo, dat we tegenwoordig over veel meer kennis en beelden beschikken die we als leidraad kunnen nemen om tot het wezenlijke in onszelf te komen, om de twee te laten huwen tot het ene. Ook is het zo dat wij ons veel makkelijker kunnen gaan verbinden met degene die op het zelfde level zitten. Vroeger was je onderdeel van een stam, volk of clan waar je nooit buiten kwam. Op de weg die wij als mens gegaan zijn, zijn we wel steeds individueler geworden. Een schaduwkant van deze verregaande individualisering is dat je teveel op jezelf gericht bent. Tegelijkertijd biedt de individualisering ons wel de mogelijkheid om weer tot een collectief te komen. Niet een collectief wat van bovenaf aangeven is, maar een collectief in de zin van de verbinding aangaan met anderen op jouw zielenniveau.
Zielennood als ingang tot zelfkennis
De meeste mensen leven niet in het Nu. Ze kijken voortdurend terug naar het verleden en maken zich zorgen over dingen die misschien nooit gebeuren gaan. Dat zorgt ervoor dat we nooit in het hier en nu zijn. Ook de angst om te sterven haalt ons uit het Nu. Doodsangst is in wezen een project van iets, wat wij zelf kunnen overwinnen door er niet de zwaarte aan te verbinden waar onder meer de kerk ons mee opgezadeld heeft. De kerk heeft de angst flink aangewakkerd door de zonde te introduceren en te spreken over het laatste oordeel. Freud sprak in dit verband over de occulte duisternis die hij zich voorstelde als een rivier met gezonken schepen, die een gevaar voor de doorvaart vormde. Het donkere onbewuste was voor Jung juist de voedingsbodem voor bewustwording. Spreken we over leegte, dan bedoelen we daar in de gnostiek mee dat de mens zich weer leeg moet maken. Jezus heeft het over het afleggen van je kleren. Dat is ook het zinnebeeld in de mythe van Inanna die bij het binnengaan van de onderwereld bij ieder van de zeven stappen een kledingstuk of sieraad moet achter laten, zodat ze naakt in de onderwereld komt. Jezus zegt ook dat je naakt moet zijn, naakt als symbool voor je pure staat van Zijn. Wij bekleden ons allemaal met dingen. Angst voor de dood is eigenlijk ook een kleed wat we hebben aangetrokken. Vaak is het de zielennood die een ingang is om je tot kennis te brengen, om tot kennis van je eigen ziel te komen. Als het leven alleen maar zachtjes voortkabbelt zonder dat er erg veel gebeurt, is er ook weinig om aan te groeien.
Tot besluit
Carl Gustav Jung zei al dat je individuatie als weg voor zelfrealisatie niet kunt bereiken door helemaal alleen op de top van de Himalaya te gaan zitten. Om te worden wie je werkelijk bent, moet je bij dat stukje binnen in je komen wat in ieder van ons is: jouw innerlijke licht. Dat is zelfrealisatie. We zijn het al, maar we zijn het ons niet bewust. Het woord wat dan ook op iedere gevel geschreven zou moeten staan is Bewust Zijn. Ken je Zelf. Om dat te bereiken moeten we heel wat meemaken in het aardse leven. Er is één troost, zoals Leonard Cohen dat zo prachtig verwoordt in het nummer Anthem:
“There is a crack in everything. That’s how the light gets in.”
Met andere woorden: daar waar de wond zit en het pijn doet, daar zit tevens de opening waar het zuivere licht van bewustzijn naar binnen kan komen. Maak dus ontzettend veel mee, want dan is de kans groter dat je sneller naar het licht komt!
Wilt u meer lezen over dit onderwerp dan verwijzen we naar het nieuwe boek van Jacob Slavenburg: ‘Vrijen met God, Over heilige bruiloften, erotiek en religie’, verschenen bij Walburg pers.
ISBN 978.90.5730.485.9