Uit de lezing over het Nieuwe Denken wordt opnieuw duidelijk in wat voor bijzondere tijd wij leven. Heel mooi geeft Jacob Slavenburg aan hoe de mens in de loop van de geschiedenis tot een groter bewustzijn, een totaler weten, kon komen. In vroeger tijden vonden inwijdingen plaats van buitenaf door anderen, nu kan en moet een ieder dit zelf doen vanuit zijn eigen Logosbewustzijn, het Christusbewustzijn in de persoon zelf. In de oudheid bezat men diepe wijsheid, een weten van de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Doordat de wijsheid deels nog niet tot volledig bewustzijn was gekomen, was er eerder sprake van een ondergaan van die werkelijkheid. In de loop der tijd daalde de mens steeds verder af in de materie en wist daardoor ook steeds minder van zijn werkelijke afkomst; met de doop van Jezus kwam het Logosbewustzijn naar de aarde en daardoor werd het voor de mens mogelijk zich zijn afkomst opnieuw te herinneren. Toch zou het nog een paar duizend jaar duren voordat de oude wijsheid, waarv an gelukkig weer veel boven tafel gehaald werd in de periode van de Renaissance, geïntegreerd kon worden met de uitgebreide kennis die de mens zich door een sterker ontwikkeld ratiovermogen van de laatste paar honderd jaar wist eigen te maken. In onze huidige tijd staan we voor een enorme sprong in ons bewustzijn: dan kunnen wijsheid en kennis verenigd worden, kunnen Oost en West samen gaan.
Wij leven in een tijdsversnelling en alles zal zich via morfogenetische velden (collectieve bewustzijnsvelden) uitbreiden. Meester Eckehart gebruikte een heel aansprekend voorbeeld: “Als je een haard aansteekt dan begin je met op zo’n vijf verschillende plekken het hout aan te steken. Je hebt dan vijf heel kleine minuscule vlammetjes. Heel langzaam groeien de vlammetjes tot het moment dat de vuurtongetjes bij elkaar komen en je zo een geweldige vuurzee krijgt.” Als de Logosherkenning bij steeds meer mensen plaatsvindt, heeft dit op een gegeven moment een enorme invloed!
Het Oude Denken
Ver voor het begin van onze jaartelling waren er zeer veel mysteriereligies die je in bijna alle culturen kon tegenkomen. Het woord mysteriereligie bestaat uit twee verschillende woorden: mysterie, wat te vertalen is als ‘geheimenis’ (sacrament) en religie wat betekent ‘verbinden met’. Een centraal punt in de mysteriereligies, ‘in geheim verbinden met’, was de initiatie, oftewel de inwijding. De inwijdingen vonden altijd plaats door een hiërofant, een tempelpriester of -priesteres. Vaak kenden de inwijdingen zeven fasen: de eerste inwijdingsfase was vrij gemakkelijk en openbaar en bestond er meestal uit dat de inwijdeling te water gaat met een biggetje. Het biggetje stond symbool voor het nieuwe leven, voor wedergeboorte. De graden die daar op volgden werden voor steeds minder mensen toegankelijk. Over de hoogste graden, en met name over de zevende graad die ook wel epopteia (aanschouwing) werd genoemd, is weinig literatuur, omdat het alleen iets was voor de ingewijde en niet openbaar gemaakt mocht worden. Wel is hierover bekend dat een inwijdeling in een soort droomtoestand, een hypnotische slaap gebracht werd en de werkelijkheid achter de fysieke werkelijkheid mocht aanschouwen. Hij kreeg als het ware de waarheid ingefluisterd. Door oog in oog te staan met de waarheid kon de inwijdeling tot transformatie komen. In het proces voorafgaande aan de inwijding moesten, naast meditatie en vasten, vaak ook fysieke proeven ondergaan worden. In bijna elke cultuur kom je verhalen tegen van gevechten tegen een stier of draak. Dit staat symbool voor het gevecht tegen het duistere dat overwonnen moet worden; van de innerlijke strijd die plaatsvond. In de Bhagavad Gita is het Arjuna die angstig tussen twee legers staat en Heer Krishna hem doet inzien dat hij niet bang moet zijn en de strijd aangaan, de strijd tegen de schaduw, het duister in hemzelf. Want hierdoor komt er beweging en is transformatie mogelijk. Het is een ‘door de dood heen gaan’ om uiteindelijk tot aanschouwing te komen van het Al. Het Oude Denken was meer een ervaren, een ondergaan dan dat de mens zich bewust was van de grotere werkelijkheid. Hoe dit ervaren is, wordt weergegeven in de hierna volgende voorbeelden.
Van het oude Egypte van de farao’s, zo’n drieëneenhalf duizend jaar voor onze jaartelling, zijn afbeeldingen bekend van een dode, staande voor de troon van Osiris. Het hart van de dode werd gewogen tegen de veer van de godin der Gerechtigheid. De god Thot, god van de schrift, wijsheid en magie, schreef de uitkomsten op. Als het hart niet te licht bevonden was, mocht de overgegane verder gaan. Daarbij kwam hij in aanraking met 42 vaak heel verschrikkelijke godengestalten wier namen hij moest kennen en uitspreken om in dezelfde trilling, in dezelfde energie te komen en zo transformatie te bewerkstelligen. Na dit proces doorstaan te hebben werd hij als ingewijde opgenomen in het Al. Bij voldoende voorbereiding was het voor een inwijdeling mogelijk dit al tijdens het leven op aarde te bereiken.
Een ander tipje van de sluier over de hoogste inwijdingsgraden werd opgelicht door de Romeinse schrijver uit de 2e eeuw, Apuleius, die beschrijft hoe een in een ezel omgetoverde jongeman tot Isis bidt en smeekt weer tot mens getransformeerd te mogen worden. Als dit gebeurt wil hij als dank ingewijd worden in de mysteriën van Isis. Na alle treden met succes gegaan te zijn staat hij voor het ‘heilige der Heiligen’. Met enige terughoudendheid vertelt hij aan de luisteraars:
“Ik ben het grensgebied van de dood genaderd. En na de drempel van Proserpina te hebben betreden, ben ik teruggekeerd, meegevoerd door alle elementen. Midden in de nacht heb ik de zon zien stralen, met een helder licht. De goden van de onderwereld en de hemel heb ik voor ogen gezien en van nabij aanbeden.”
Hermes Trismegistos vertelt aan een leerling hoe hij boven zichzelf is uitgestegen en wedergeboren in geest is teruggekeerd:
“Wat moet ik zeggen, jongen! Ik kan niets zeggen. Alleen dit: toen ik iets zag in mijzelf, ongeschapen oerlicht dat mij opging door Gods erbarming, ben ik boven mijzelf uitgestegen en heb ik een onsterfelijk lichaam gekregen. En ik ben niet meer wat ik vroeger was, maar ik ben wedergeboren in geest. Dat kun je niet met het blote verstand leren en je kunt het niet zien met het stoffelijke lichaam. Met die ogen word ik niet aanschouwd in mijn werkelijke staat, jongen.”
De reis door de hemelen was een algemeen gangbaar begrip en ervaringsweg die in veel verschillende, ver van elkaar verwijderde religies beleden werd. De Verhandeling over de Achtste en Negende Hemelsfeer, een hermetisch geschrift, is uniek omdat het een zeer zeldzame overlevering is van een inwijding in de hoogste graad, in de 8e en 9e hemelsfeer. Hier speelt zich een gesprek af tussen Hermes Trismegistos en een leerling van hem. Naast de kennis die de leerling uit de boeken heeft opgedaan wordt hij nu door Hermes Trismegistos meegevoerd langs de achtste naar de negende hemelsfeer. Voordat de eigenlijke inwijding plaatsvindt wordt God aangeroepen, waarbij een magische formule, een reeks van klinkers, wordt gebruikt om in een bepaalde trilling of bewustzijnsveld te komen. Dan begint het eigenlijke schouwen, een mystieke ervaring die men onder woorden probeert te brengen, waar eigenlijk slechts stilte rest:
“Laten wij elkaar in liefde kussen, o mijn zoon. Verheug je erover, nu komt de kracht tot ons die licht is.”
Ik zie, ja, ik zie onuitsprekelijke diepten.”
“Hoe zal ik het je zeggen, o, mijn zoon, wij zijn begonnen op het moment dat we de plaatsen van het Licht kunnen zien. Hoe zal ik je vertellen over het Al. Ik ben bewustzijn.”
“Ik zie ook een ander bewustzijn dat de ziel doet bewegen.
Ik zie hem die mij beweegt door een heilige extase.
U geeft mij kracht!
Ik zie mijzelf!
Ik wil spreken!
Vrees weerhoudt mij!
Ik heb de oorsprong gevonden van de macht, die boven alle machten is en die zelf geen oorsprong heeft.
Ik zie een bron die borrelt van leven.”
“Ik heb gezegd, o, mijn zoon, dat ik bewustzijn ben.”
“Ik heb geschouwd, het is onmogelijk om dit in woorden weer te geven.” (Nag Hammadigeschriften I, blz. 401 en 402)
Deze tekst is een zeer aangrijpende relaas van een ingewijde die de beperkingen van de materie en van de zeven lagere hemelsferen heeft overwonnen, getransformeerd. En dan ziet hij zichZelf, het Zelf, het universele Zelf dat verbonden is met alle andere zelven.
Het christendom kende ook zo’n inwijdingsweg, waarin dat Zelf centraal stond. Het is niet voor niets dat Jezus in logion 67 van het Evangelie van Thomas zegt: (Nag Hammadigeschriften deel I)
“Wie het Al denkt te kennen, maar niet zichzelf, blijft volkomen in gebreke.”
In een ander geschrift, het Boek van Thomas de Kampvechter (vechten tegen zichzelf), niet te verwarren met het Evangelie van Thomas, staat:
De Verlosser zei: “Broeder Thomas, zolang je de tijd in deze wereld hebt, luister naar me en ik zal je dat openbaren waarover je in je hart hebt nagedacht. Want omdat men gezegd heeft dat jij mijn tweelingbroer en mijn ware metgezel bent, dien je jezelf te onderzoeken opdat je zult begrijpen wie je bent, hoe je bent en hoe je zult worden. […]
Want hij die zichzelf niet heeft gekend, die heeft niets gekend! Maar hij die zichzelf heeft gekend, heeft ook kennis over de diepte van het Al verkregen. Daarom heb jij nu, mijn broeder Thomas het voor de mensen verborgene gezien; dat is datgene waaraan zij aanstoot nemen omdat zij het niet kennen.” (Nag Hammadigeschriften I, blz. 219)
Dit aanstoot nemen was ook precies de reden waarom de mysteriën, de hoogste graden in de mysteriereligies, niet openbaar gemaakt mochten worden. Ook binnen het christendom kende men esoterische literatuur waar vaak sprake was van ‘geheime woorden’. Het Evangelie van Thomas begint met de intrigerende zin: (Nag Hammadigeschriften I, blz. 135.)
“Dit zijn de geheime woorden die de levende Jezus sprak en die Didymus Judas Thomas opschreef.
En hij zei:
Ieder die de betekenis van deze woorden vindt,
zal de dood niet smaken.”
Het Logos- of Christusbewustzijn
In het esoterisch christendom en in het christendom van de mysteriereligies was er een heel belangrijk gegeven dat echter steeds minder begrepen werd naarmate de tijd vorderde: de openbaring van de Logos. Bij de doop van Jezus in de Jordaan werd een stem hoorbaar, aldus Jacob, die zei: (zie ook Matt. 3:17; Marc. 1:11; Luc 3:21):
“Jij bent Mijn Zoon, de geliefde; in jou heb Ik mijn welbehagen. Heden heb Ik Jou verwekt.”
En de Logos, symbolisch in de vorm van een duif, daalt neer in de mens Jezus die op dat moment de Christus wordt. Dit heeft tot op de dag van vandaag betekenis in het leven van àlle mensen, ongeacht hun geloofsovertuiging.De Logos in de mens, waarvan de evangelist Johannes zegt in Joh 1:14: “Het woord is vlees geworden […].”
Deze Logos is dàt principe in de mens dat het de mens mogelijk maakt zich weer te verbinden met zijn eigen herkomst, met dat waar hij vandaan komt. Dit Logosbewustzijn, dit Christusbewustzijn, maakt het mogelijk zich weer te verbinden met wat hij wezenlijk is: het Zelf.
Middeleeuwen (ca. 500 – 1500)
Mensen die dat wisten, ook in het vroege christendom, legden een groot zelfbewustzijn aan de dag. Zij hadden een trefzekere houding omdat ze in contact waren gekomen met de waarheid, het licht van de waarheid. Hen werd ten onrechte een zekere arrogantie verweten. Bij het vorderen van de eeuwen werd de repressie tegen deze zelfbewuste mensen steeds sterker. Ook de Katharen, net als andere gnostici, waren zulke mensen met een sterk bewustzijn van de Logoskracht in zichzelf.
Er was een schrijnend verschil tussen de Katharen en de kerk in die dagen. De Katharen onderscheidden zich van de christenen van de toenmalige rooms-katholieke kerk die in de ogen van de Katharen ver waren afgedwaald van wat Jezus werkelijk bedoeld had. De kerk toen was een stuk minder spiritueel en hield zich meer bezig met financiële aangelegenheden waarbij de zielzorg op een lager plan stond. Dit was bij de Katharen precies andersom. De Katharen hadden eigenlijk een tweedeling: de gewone gelovigen, die nog volop deelnamen aan het maatschappelijk leven, en de priesters die een eed hadden afgelegd zich verder te onthouden van het eten van vlees, het drinken van wijn en het hebben van seksuele gemeenschap. Onder de priesters van de Katharen namen vrouwen een zeer belangrijke plaats in wat erg tegen de zin was van de kerk in die dagen. De kerk ontwikkelde zich als machtsinstituut wat tot een trieste periode heeft geleid in de geschiedenis van het christendom: de barbaarse strijd tegen de Katharen die in honderd jaar tijd werden uitgeroeid en daarmee grotendeels de vernietiging van het esoterische christendom.
Renaissance (ca. 1500 – 1600)
Na de Middeleeuwen breekt een tijdvak aan waarin afgerekend lijkt te worden met al die duistere krachten. Het is een tijdvak vol van licht en liefde: het tijdvak van de Renaissance, de wedergeboorte van de klassieke oudheid. Men ging er van uit dat de oudheid heel mooi en geweldig was; dat de mensen toen heel religieus waren, veel kennis en wijsheid hadden en dat er grote filosofen en godsdiensthervormers waren geweest. Men beschouwde de Middeleeuwen als een slechte, duistere periode en in die nieuwe tijd was er een herbeleving van die schitterende oudheid. Er werd gezocht naar oude manuscripten om weer zoveel mogelijk te weten te komen over wat er vroeger geshreven was. Dit was mogelijk dankzij het goede bewaren van de christelijke en Griekse cultuur door de Arabieren, de moslims. Er werden weer filosofisch-religieuze geschriften ontdekt van bijvoorbeeld Plato, waar deze geschriften bij ons op de brandstapel terecht zijn gekomen. Die oude geschriften werden vertaald en uitgegeven. Zo kon er een samengaan ontstaan van het christelijk denken vanuit het beleven van de innerlijke Logos met de wijsheid van de oude Grieken als Plato, Pythagoras en Hermes Trismegistos.
Hermes Trismegistos was een godmens of een mensgod die meestal vereenzelvigd wordt met de Egyptische god Thot; de hermetische gnosis kwam ook uit het oude Egypte. In de hermetische gnosis zijn God, kosmos en mens ondeelbaar met elkaar verbonden. Zij vormen één geheel en zijn als het ware doortrokken van elkaar; de mens als geschapene en tevens zelf ook weer als schepper.
In het hermetische geschrift de Verhandeling van de Achtste en Negende Hemelsfeer staat dat de 8e en 9e hemelsfeer aanschouwd worden. Dit betekent dat er al een periode van zeven hemelen aan vooraf gegaan was. Deze ‘weg der sterren’ was de gang langs de zeven toenmalig bekende planeten, met elk hun eigen bewustzijnsveld, waaronder ook zon en maan meegerekend werden. Dat was een uiterste vorm van kosmologie die ons de weg kon leiden naar transformatie. In verschillende hermetische geschriften staat dat de planeten als het ware godengestalten waren, dat ”Op elk tijdstip en van elk uur de goden van de dierenriem hun hemelcirkel beschrijven.” Er staat verder dat door de krachten van de dierenriem (de algemene, niet veranderbare vormen) het menselijk lichaam is opgebouwd en op dusdanige wijze meetrilt met de sterrenpatronen dat mens en sterren elkaar wederzijds beïnvloeden. De ziel krijgt vorm door de bijzondere (door wenteling van de planeten veranderbare) krachten. Er is dus een samenspel tussen de grote kosmos, de macrokosmos, en de mens als microkosmos; beide zijn onderhevig aan dezelfde krachten. Door het kennen van de krachten van de macrokosmos kon de mens ook iets van zichzelf leren begrijpen. ‘Zo boven, zo beneden’ is een gevleugelde hermetische uitspraak.
Deze hermetische wijsheid kwam, samen met andere religieus-filosofische wijsheid uit de oudheid, in de Renaissance opnieuw in de belangstelling. De waarde van de oude wijsheid werd opnieuw overdacht met het denken van die tijd: een denken over een mooie, liefdevolle wereld en met een verrukte blik op de metafysica, het esoterische. Men had een holistisch denkbeeld waarin de diverse, nu als aparte en op zichzelf staande wetenschappen (bijvoorbeeld de natuurwetenschap, filosofie, theologie, magie, astrologie, astronomie, chemie, alchemie) nog één geheel vormden en niet los van elkaar werden gezien.
De Renaissance was een periode die niet lang geduurd heeft want in wezen was de tijd nog niet rijp voor een integratie van de wijsheid uit de oudheid met het denken van de mensen in die tijd. Er was nog een periode nodig waarin het ratiovermogen van de mens verder ontwikkeld moest worden.
Ratio en gnosis (16e eeuw en later)
De contra-reformatie, de protestantse leer, probeerde de mens weer zoveel mogelijk in het oude harnas van het dogma te persen en van het aannemen van ideeën en voorschriften van bovenaf. Een paar eeuwen daarvoor kon met het neerslaan van de Katharen in honderd jaar tijd een geheel gedachtegoed uitgeroeid worden. In de zestiende en zeventiende eeuw lukte dit niet meer: het esoterisch denken ging ondergronds. In latere perioden zal het telkens weer even naar boven komen in bewegingen als het Rozenkruis, de Vrijmetselarij en in de negentiende eeuw ook in de Theosofie. Ondanks het ondergronds gaan van de gnosis is het bewustzijn van de Logoskracht in de mens altijd aanwezig geweest en nooit verloren gegaan. In deze metafysische kant zijn eigenlijk twee bewegingen zich naast elkaar gaan ontwikkelen. Daar zie je dat het kan leiden tot uitschieters die in onze tijd als alternatief’ bekend zijn: verlichtingscursussen, reïncarnatiespeeltjes, engelenaanbidding, channeling in alle soorten en maten. Deze zaken hebben een zeer diepe esoterische achtergrond, alleen weten velen dit niet meer en maken het tot iets wat op zichzelf staat. Waar je spreekt over verlichting en over licht, daar is ook duisternis. Waar je spreekt over engelen, daar zijn ook demonen. Net als in de mysteriereligies wordt aangegeven dat je het duister in jezelf moet overwinnen, kun je volgens Hans Stolp ook alleen maar engelen waarnemen als er in jezelf iets gebeurt: je zult er zelf de voorwaarden voor moeten scheppen.
Bovengronds kreeg je een rationalistische benadering in de wetenschap zoals wij die de laatste twee á driehonderd jaar zijn gaan kennen. De ratio, wat Descartes zei: “Ik denk dus ik besta,” ging steeds meer de overhand krijgen en leidde tot een materialistisch wetenschapsmodel. Dit richtte zich steeds meer op de uiterlijk waarneembare en meetbare wereld, waar geen plaats meer is voor geest en waar ziel iets is waar je eigenlijk niets van kunt weten. Men gaat uit van de materie: men neemt de materie als enig bestaande en probeert alles van daaruit te verklaren.
Het Nieuwe Denken
Leven wij nu nog met een denken vanuit verdeeldheid, in de bijzondere tijd waarin wij nu leven begint langzaamaan een doorbraak te komen waardoor de twee gescheiden werelden van ratio en gnosis tot een integratie komen. Dit is het Nieuwe Denken. Het is opmerkelijk dat vooral in de natuurwetenschappen, de meest materialistisch wetenschappen – zij zijn immers bezig met de materie van de natuur – een voorzichtige doorbraak merkbaar is. Dit wordt onder andere zichtbaar door de wetenschapper Rupert Sheldrake die de aanwezigheid van morfogenetische velden beschrijft. Daarnaast zien we dat steeds meer afgerekend wordt met de goedkope esoterie: de mensen zoeken en ontdekken in zichzelf het wonder van de Logos. Ook zie je nu de holistische opvatting opnieuw in de belangstelling komen: hierbij gaat het erom, in de zoektocht naar het Zelf, datgene wat verdeeld is weer heel te maken. Dit was met name terug te vinden in de hermetische gnosis: hier wordt de totale samenhang van het Al, het geheel benadrukt. In de oudheid had men deze enorme schat aan wijsheid, maar het was net alsof het hen overkwam in plaats van zich dit bewust te zijn. Inwijdingen vonden toen altijd plaats langs uiterlijke weg, met behulp van hiërofanten; in onze nieuwe tijd van bewustwording is de inwijding een volstrekt innerlijke zaak die plaats vindt en geboren wordt vanuit het Logosprincipe in de mens zelf. Ondanks alle hulp blijft het een individueel proces. Er is geen ander die jouw karma kan dragen, die jouw pijn en verdriet kan overnemen: er is geen ander die jou tot jouw werkelijke Zelf kan brengen. Met het ontdekken van de Logos in zichzelf gaat de mens zich eindelijk na vele eeuwen bewust worden. De Logos verrijst en de eenheid van alles wordt manifest. Het Nieuwe Denken ontstaat. De evangelist Johannes schreef: “Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis kan het niet aan.” Wij zouden nu kunnen zeggen: de duisternis begint het te kennen, aarzelend, tastend, met barensweeën. Maar zoals Hermes Trismegistos ooit zei tegen Asclepius, de grote genezer: “O Asclepius, de mens is een groot wonder.”