Na geïntroduceerd te zijn door voorzitter Henk Koops, vraagt Koos van Ravensteijn de aanwezigen stil te zijn, de ogen te sluiten en het hart te openen en hem zo meditatief te volgen in hèt gebed dat de wereld is gegeven en uitnodigt tot meditatie, het ‘Onze Vader’ in het Aramees, zoals het volgens Koos zo ongeveer geklonken moet hebben uit de mond van Jezus:
Ahwóen de basmaja
Nitkádesj_sjmach
Tété maalkoetàch
Nechwée tsvijánech ajkana de basjhmaja af be_arha
Hawlaán lachmaa desoenkanan jahmana
Wasjboklaan chaubeen wachtahin ajkana dach_chanaan sjwakken_lachajabeen
Weela tachlan lenesjoena ella pàtzan min biesja
Methoel delàché_malkoetha wacheila_watesjboechta la’alaam almien
Amein.
Koos wil het deze avond niet met ons hebben over de geschiedenis of de geschiedkundige betekenis van de Essenen, zoals die is vastgelegd door de Romeinse geschiedschrijvers, omdat dezen het nou eenmaal niet zo hadden voorzien op het volkje van Palestina en zeker niet op die groeperingen die graag de eigen zelfstandigheid wilden behouden en volgens eigen inzichten en gewoonten wilden leven, alsook hun geloof beleven. Zo ook de Essenen. Koos vertelt ons de geschiedenis wèl bestudeerd te hebben, maar dat deze hem nauwelijks wist te raken. Wat hem wèl enorm aanraakte toen hij met de Essenen in contact kwam, was hetgeen waar ze voor stonden, van waaruit ze leefden en op welke manier zij probeerden in contact te komen met het Goddelijke, wat voor hen bestond uit zowel een mannelijk als een vrouwelijk aspect.
De Essenen, zo zegt hij, spreken over God de Vader en over Moeder Aarde. Koos van Ravesteijn vraagt ons, om vanaf nu vooral te vergeten dat wij hier iets te leren hebben, en ons zelf in de plaats daarvan te doordringen van het feit dat alles wat wij moeten weten, allang door ons gekend wordt. Alles, maar dan ook alles wat bekend is in deze wereld, zit al in ons. Alleen geloven wij dat niet meer, omdat het eruit gewerkt is door onze ouders, de pedagogen en de kerken. Wij waren dom en moesten dom blijven en daarom zijn wij overspoeld met dogma’s waar niet aan te tornen viel en dat is vanuit de traditionele kerken – volgens Koos – helaas nog steeds zo.
Wees stil, weet, ik ben God
Hij wil ons daarom deze avond als tegenwicht, een stukje terug brengen naar het besef dat wij alles al weten en dat alles wat hij deze avond vertelt, niets meer of minder is, dan alleen maar een stukje herkenning. Iets dat de Essenen zo’n 2000 jaren geleden al wisten. Die hadden nog de ongerepte kennis van het weten in zichzelf. Koos zegt, dat we er wel iets voor moeten doen, dat we er iets voor over moet hebben, om bij die innerlijke kennis te komen, maar, dat dat niet zo gek veel is. We hoeven daarvoor volgens hem maar één ding te doen en dat is àlle last, maar dan ook werkelijk alle ballast van de wereld om ons heen die naar ons toe gekomen is, van ons af te schudden en terug te keren naar het oerbesef dat we in diepste weten en wezen God zijn. Hij beklemtoont, dat hij niét zegt dat we in diepste wezen Goddelijk zijn, maar God zijn. Om dat te bewijzen laat hij ons een van de mooiste gebeden van de Essenen, het vredesevangelie horen, waarin steeds de frase voorkomt Wees stil, weet, ik ben God, waarbij dan niet gedacht moet worden aan een God ergens op afstand, maar waarbij uitgegaan moet worden, zoals de Essenen dit deden, dat het woordje ik staat voor de persoonlijke mens. Wees stil, zeg je tegen je eigen hart en niet tegen de buitenwereld. Weet, ik ben God, zeg je tegen jezelf en dat is het grootste taboe volgens Koos, dat de mensheid te overwinnen heeft. Om te durven geloven dat wij God zijn. Zodra we dat volledig durven te erkennen en te voelen, zijn we de grootste scheppers die hier op de wereld rondlopen. Vanaf dat moment zal ons leven gaan, zoals wij wensen dat het zal gaan, omdat wij dan weten dat alles uit het Goddelijke voortkomt, werkelijk àlles. Om dat te leren, moeten we mediteren, wat we vaak doen via allerlei ingewikkelde systemen en technieken.
De Essenen deden echter maar één ding. Zij verbonden zich op drie vaste momenten van de dag met bepaalde aspecten van wat zij noemden de Wet. We kunnen dat vertalen door het woord God, de Universele Waarheid, of Allaha, zoals de Essenen Hem noemden. ’s Avonds verbonden zij zich met het mannelijk aspect van God, met God de Vader, het onzichtbare, mannelijke, gevende. ’s Ochtends bij zonsopgang verbonden zij zich met het vrouwelijke aspect van God, Moeder Aarde, het zichtbare, vrouwelijke, ontvangende. Het mannelijk aspect van God, zo legt Koos uit, vertegenwoordigt de geest, het vrouwelijk aspect vertegenwoordigt de materie, de aarde en ons lichaam. En als je met deze beide in goede harmonie overweg kunt, ontstaat halverwege, – en overdag is dat om twaalf uur – de zevenvoudige vrede in ons, de zevenvoudige vrede met het Koninkrijk van de Hemelse Vader, het Koninkrijk van de Aardse Moeder, de Cultuur, de Mensheid, de Familie/het Gezin, het Denken en het Lichaam. Dan ontstaat dat moment van: Wees stil, weet, ik ben God. Dan gaat ons leven aan ons voorbij als een rustig stromende beek, ondanks de keien die erin gegooid worden, want het leven houdt natuurlijk z’n up’s en down’s. De vraag is dan alleen nog: hoe ga je er mee om. Ga je ermee om vanuit een stuk sereniteit, vanuit een stuk ‘wees stil’, of duik je er bovenop, ga je er fanatiek mee aan de slag en word je er volledig door uit je harmonie geslagen? Hoe ga je om met geldgebrek, zorgen, ziekte en gebrek aan werk? De Essenen zeiden, dat als je je voortdurend verbindt met die drie aspecten, er zó’n harmonie in je leven ontstaat, dat er uiteindelijk niets meer zal zijn, dat in staat is je uit je evenwicht te brengen.
Meditatie zegt Koos, is niet iets wat je op een bepaald moment of enkele malen per dag doet. Mediteren doe je de hele dag. Mediteren is alles wat je doet met je volle aandacht erbij, of je nu stofzuigt, of afwast of strijkt of auto rijdt of les geeft of zieken verzorgt. Alles wat je doet met je volle aandacht, met een diepe innerlijke verbondenheid erbij vanuit het hart, is meditatie. Dat is wat de Essenen deden. Zij zochten voortdurend een weg, waarbij zij werkelijk alles wat ze deden, deden met hun volle aandacht. Ze waren voortdurend bezig de weg te gaan naar hun innerlijke Godheid. Daarom werden ze ook door hun omgeving extreem genoemd. En de Esseense groepering wàs ook extreem, omdat ze mensen die niét bereid waren die weg te gaan, niét in hun gemeenschap toelieten. Ook werden ze als extreem ervaren, omdat ze dankzij hun levenshouding een kwaliteit van leven ontwikkelden, die door de wereld om hen heen niet meer werd begrepen. Het waren namelijk mensen van zo’n enorme kracht en zuiverheid, dat ze je aanraakten en dat was bedreigend waardoor ze door de omgeving als gevaarlijk werden ervaren. De Essenen hadden zeer grote gaven tot ontwikkeling gebracht. Zo waren het bijzonder goede genezers, ze wisten alles van de genezende werking van kruiden, hygiëne, klank- en kleurenergie, ademtechnieken, gebedsgenezing en handoplegging. Het waren grote geleerden, die volop in contact stonden met andere culturen. Het waren ecologische tuinlieden van de bovenste plank.
De Essenen deden hun meditaties, plat op de buik op de aarde liggend met de armen gespreid, alleen maar om in contact te komen met hun Innerlijke God. Dat is dan ook waar het bij meditatie wèrkelijk op aan komt, zegt Koos. Op het in alle stilte naar binnen gaan bij jezelf, teneinde in contact te komen met je innerlijke God. Dàt is het opnieuw leren bidden, in plaats van op je knieën liggend al je problemen op te sommen aan God. Wat moet Hij daarmee? Je hebt ze zelf gecreëerd, dus moet je ze zelf ook oplossen. „Doe er dus wat aan,” zegt Koos op ferme toon. Leg niet alle problemen buiten je neer, maar ga in stilte naar binnen, leer in stilte te luisteren naar je innerlijke God dan zal Die je het antwoord aanreiken. Volgens Koos is dat eigenlijk het enige naar zijn gevoel dat Hij nog aan de mensen heeft te vertellen. Opnieuw te leren bidden. In stilte naar binnen toe te gaan en daar je eigen God te ontmoeten, daar je eigen antwoorden te vinden. Afgaand op nog maar één gezag, je eigen gezag, het gezag in jezelf.
Inwijding, zegt Koos, is niet meer of minder, dan tot in iedere vezel van je lichaam te voelen en te aanvaarden dat je God bent. Op dat moment ben je een ingewijde. Er is niemand die je kan inwijden, dat kun je alleen maar zelf door de omkering te maken, door de weg te gaan naar de God in jezelf.
Vanaf het bestaan van Jezus wordt nergens meer iets gehoord of geschreven over de Essenen. Ze waren zomaar ineens verdwenen en uit het weinige wat beschreven is, kan worden opgemaakt dat de Esseense groepering heeft bestaan om zo’n zuiverheid van leven te creëren, dat dit zich uiteindelijk manifesteerde in de vorm van Jozef en Maria, die dankzij hun zuiverheid in staat waren een zeer hoge Goddelijke vibratie te kunnen laten incarneren. Deze beide mensen werden zó voorbereid, dat er uiteindelijk niets onzuivers meer in hun wezen aanwezig was en dat heet onbevlekt. Vandaar de uitdrukking ‘onbevlekte ontvangenis’. Jozef en Maria waren als het ware een eindstation van het zuivere bestaan van de Essenen, die wèrkelijk konden geven en die wèrkelijk konden delen. Hun taak was volbracht.
Heeft Jezus, die het voorbeeld leefde van Goddelijke Liefde en wijsheid niet ook gezegd: „Het Koninkrijk Gods is binnen in u,” vraagt Koos. Heeft Hij ons niet in eigen persoon voorgehouden en voor geleefd hoe wij te leven hebben? Als Jezus nu onder ons zou verblijven en Hij zou zijn Boodschap in ons hedendaags taalgebruik geven, dan zou Hij zeggen:
Ik bracht jullie liefde en je haat elkaar.
Ik vertelde je, da, degene die het zwaard hanteert, erdoor zal worden omgebracht en jullie voeren nog steeds oorlog en slachten elkaar af.
Ik leerde jullie eenvoudig te leven en jullie hebben imposante steden gebouwd, terwijl je de natuur minacht en ver leeft van zuivere lucht, van de zon, van het water en van alle natuurkrachten.
Ik onderwees jullie aan de stranden van de zee en de meren en op berghellingen en jullie hebben grote tempels en kerken gebouwd voor jullie aanbiddingen.
Ik genas de zieken en toonde je de weg naar heelwording, zodat je nooit meer ziek zou zijn en nu zijn jullie allemaal ziek. Nog nooit zijn er zoveel ziekten en zieke mensen geweest dan nu.
Ik onderwees jullie een eenvoudig, natuurlijk leven zonder rijkdom en nu vergaren jullie geld en bezittingen, waarmee je huis na huis vult en waarvoor je anderen leegzuigt.
Ik leerde jullie de werkelijke wetten van harmonie en harmonieus leven en nu doen jullie precies het tegenovergestelde van mijn leringen. Jullie verzamelen je in grote stenen tempels en kerken en bidden daar tot me en vragen me je te helpen en je te redden.
Herinner je je niet dat ik je onderwees in de tempel van de natuur?
Herinner je je niet, dat ik je leerde, dat verlossing zich zou voltrekken aan hem die de Wet kende en navolgde. Hoe zou ik je moeten redden als je jezelf niet wil redden?
Na een plezierig, maar soms ook wel confronterend debat over de Goddelijke dualiteit, de Dode Zee rollen, het gegeven dat àlles Goddelijk is, dus ook datgene wat wij als negatief ervaren, sluit Koos deze zeer druk bezochte en zeer geanimeerde avond af, met het wonderschone Esseense evangelie van de vrede, dat hieronder is weergegeven.
Ik spreek tot je. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je, toen je werd geboren. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je bij je eerste zucht. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je toen je je eerste woord sprak. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je bij je eerste gedachte. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je toen je de eerste keer liefde voelde. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik sprak tot je toen je je eerste lied zong. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door het gras van de weiden. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de bomen van de bossen. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de valleien en de heuvels. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de heilige bergen. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de regen en de sneeuw. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de golven van de zee. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de morgendauw. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de vrede van de avond. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de stralende zon. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de schittering van de sterren. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de stormen en de wolken. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de donder en de bliksem. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je door de wonderbaarlijke regenboog. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik zal tot je spreken wanneer je alleen bent. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik zal tot je spreken door de wijsheid van de Ouden. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik zal tot je spreken aan het einde der tijden. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik zal tot je spreken als je mijn Engelen ziet. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik zal tot je spreken door de eeuwigheid heen. Wees stil, weet, ik ben God.
Ik spreek tot je. WEES STIL, WEET, IK BEN GOD.