Innerlijk Besef

De stilte van de Essenen

Verslag van de lezing ‘De Stilte van de Essenen’ gehouden op 6 januari 1998 te Norg, door de heer Koos van Ravesteijn.

Na geïntroduceerd te zijn door voorzitter Henk Koops, vraagt Koos van Raven­steijn de aanwezigen stil te zijn, de ogen te sluiten en het hart te openen en hem zo medi­tatief te volgen in hèt gebed dat de wereld is gegeven en uitnodigt tot meditatie, het ‘Onze Vader’ in het Aramees, zoals het volgens Koos zo onge­veer geklonken moet hebben uit de mond van Jezus:

Ahwóen de basmaja
Nitkádesj_sjmach
Tété maalkoetàch
Nechwée tsvijánech ajkana de basjhmaja af be_arha
Hawlaán lachmaa desoenkanan jahmana
Wasjboklaan chaubeen wachtahin ajkana dach_chanaan sjwakken_lachajabeen
Weela tachlan lenesjoena ella pàtzan min biesja
Methoel delàché_malkoetha wacheila_watesjboechta la’alaam almien
Amein.

Koos wil het deze avond niet met ons hebben over de geschiedenis of de ge­schiedkundi­ge betekenis van de Essenen, zoals die is vast­ge­legd door de Romeinse ge­schiedschrijvers, om­dat dezen het nou eenmaal niet zo hadden voor­zien op het volkje van Pale­stina en zeker niet op die groeperingen die graag de eigen zelfstandigheid wilden behou­den en volgens eigen inzichten en gewoonten wilden leven, alsook hun geloof beleven. Zo ook de Essenen. Koos vertelt ons de geschie­denis wèl bestudeerd te hebben, maar dat deze hem nauwelijks wist te raken. Wat hem wèl enorm aan­raakte toen hij met de Essenen in contact kwam, was hetgeen waar ze voor ston­den, van waaruit ze leefden en op welke ma­nier zij probeerden in contact te komen met het Goddelijke, wat voor hen bestond uit zowel een man­nelijk als een vrouwelijk aspect.

De Essenen, zo zegt hij, spreken over God de Vader en over Moeder Aarde. Koos van Ravesteijn vraagt ons, om vanaf nu vooral te vergeten dat wij hier iets te leren heb­ben, en ons zelf in de plaats daarvan te doord­ringen van het feit dat alles wat wij moeten weten, allang door ons gekend wordt. Alles, maar dan ook alles wat bekend is in deze we­reld, zit al in ons. Alleen geloven wij dat niet meer, om­dat het eruit gewerkt is door onze ouders, de peda­gogen en de kerken. Wij waren dom en moes­ten dom blijven en daarom zijn wij over­spoeld met dogma’s waar niet aan te tornen viel en dat is vanuit de traditionele ker­ken – volgens Koos – helaas nog steeds zo.

Wees stil, weet, ik ben God

Hij wil ons daarom deze avond als tegenwicht, een stukje terug brengen naar het besef dat wij alles al weten en dat alles wat hij deze avond vertelt, niets meer of minder is, dan alleen maar een stukje herkenning. Iets dat de Essenen zo’n 2000 jaren geleden al wisten. Die had­den nog de ongerepte kennis van het weten in zichzelf. Koos zegt, dat we er wel iets voor moeten doen, dat we er iets voor over moet hebben, om bij die innerlijke kennis te komen, maar, dat dat niet zo gek veel is. We hoeven daarvoor volgens hem maar één ding te doen en dat is àlle last, maar dan ook wer­kelijk alle ballast van de wereld om ons heen die naar ons toe gekomen is, van ons af te schud­den en terug te keren naar het oerbesef dat we in diep­ste weten en wezen God zijn. Hij beklemtoont, dat hij niét zegt dat we in diep­ste wezen Goddelijk zijn, maar God zijn. Om dat te bewijzen laat hij ons een van de mooi­ste ge­beden van de Essenen, het vredes­evangelie ho­ren, waarin steeds de frase voor­komt Wees stil, weet, ik ben God, waarbij dan niet ge­dacht moet worden aan een God ergens op afstand, maar waar­bij uitgegaan moet wor­den, zoals de Essenen dit deden, dat het woord­je ik staat voor de persoonlijke mens. Wees stil, zeg je tegen je eigen hart en niet tegen de bui­ten­we­reld. Weet, ik ben God, zeg je tegen je­zelf en dat is het grootste taboe volgens Koos, dat de mens­heid te overwinnen heeft. Om te durven geloven dat wij God zijn. Zodra we dat volle­dig durven te erkennen en te voelen, zijn we de grootste schep­pers die hier op de wereld rond­lopen. Vanaf dat moment zal ons leven gaan, zoals wij wensen dat het zal gaan, omdat wij dan weten dat alles uit het God­delijke voort­komt, werkelijk àlles. Om dat te leren, moeten we mediteren, wat we vaak doen via allerlei ingewikkelde systemen en technieken.

De Essenen deden echter maar één ding. Zij verbonden zich op drie vaste mo­menten van de dag met bepaalde aspecten van wat zij noem­den de Wet. We kunnen dat verta­len door het woord God, de Universele Waar­heid, of Allaha, zoals de Essenen Hem noem­den. ’s Avonds verbonden zij zich met het man­nelijk aspect van God, met God de Vader, het onzichtbare, mannelijke, gevende. ’s Ochtends bij zonsopgang verbonden zij zich met het vrouwe­lijke aspect van God, Moeder Aarde, het zichtbare, vrouwelijke, ontvangende. Het mannelijk aspect van God, zo legt Koos uit, vertegenwoordigt de geest, het vrouwelijk as­pect vertegenwoordigt de materie, de aarde en ons lichaam. En als je met deze beide in goede harmonie overweg kunt, ontstaat halverwege, – en overdag is dat om twaalf uur – de zeven­vou­dige vrede in ons, de zevenvoudige vrede met het Koninkrijk van de Hemelse Vader, het Ko­ninkrijk van de Aardse Moeder, de Cultuur, de Mens­heid, de Familie/het Gezin, het Denken en het Lichaam. Dan ontstaat dat moment van: Wees stil, weet, ik ben God. Dan gaat ons leven aan ons voorbij als een rustig stromende beek, ondanks de keien die erin gegooid worden, want het leven houdt natuurlijk z’n up’s en down’s. De vraag is dan alleen nog: hoe ga je er mee om. Ga je ermee om vanuit een stuk sere­niteit, vanuit een stuk ‘wees stil’, of duik je er bovenop, ga je er fanatiek mee aan de slag en word je er volledig door uit je harmonie gesla­gen? Hoe ga je om met geldgebrek, zorgen, ziek­te en gebrek aan werk? De Essenen zei­den, dat als je je voortdurend verbindt met die drie aspecten, er zó’n harmonie in je leven ont­staat, dat er uiteindelijk niets meer zal zijn, dat in staat is je uit je evenwicht te brengen.

Meditatie zegt Koos, is niet iets wat je op een bepaald moment of enkele malen per dag doet. Mediteren doe je de hele dag. Medi­teren is alles wat je doet met je volle aandacht erbij, of je nu stofzuigt, of afwast of strijkt of auto rijdt of les geeft of zieken ver­zorgt. Alles wat je doet met je volle aandacht, met een die­pe innerlijke verbondenheid erbij vanuit het hart, is meditatie. Dat is wat de Es­senen de­den. Zij zochten voortdurend een weg, waarbij zij werkelijk alles wat ze deden, deden met hun volle aandacht. Ze waren voortdurend be­zig de weg te gaan naar hun innerlijke God­heid. Daar­om werden ze ook door hun omge­ving extreem genoemd. En de Esseense groe­pering wàs ook extreem, omdat ze mensen die niét bereid waren die weg te gaan, niét in hun ge­meenschap toelieten. Ook werden ze als extreem ervaren, omdat ze dankzij hun levens­houding een kwaliteit van leven ontwikkelden, die door de wereld om hen heen niet meer werd begrepen. Het waren namelijk mensen van zo’n enorme kracht en zuiverheid, dat ze je aanraakten en dat was bedreigend waar­door ze door de omgeving als gevaarlijk werden erva­ren. De Essenen hadden zeer grote gaven tot ontwikkeling gebracht. Zo waren het bijzonder goede genezers, ze wisten alles van de genezende werking van kruiden, hygiëne, klank- en kleurenergie, adem­technieken, gebedsge­ne­zing en hand­oplegging. Het waren grote ge­leerden, die volop in contact stonden met an­dere cultu­ren. Het waren ecologische tuinlie­den van de bovenste plank.

De Essenen deden hun meditaties, plat op de buik op de aarde liggend met de armen ge­spreid, alleen maar om in con­tact te komen met hun Innerlijke God. Dat is dan ook waar het bij meditatie wèrkelijk op aan komt, zegt Koos. Op het in alle stilte naar binnen gaan bij jezelf, teneinde in contact te komen met je in­nerlijke God. Dàt is het opnieuw leren bidden, in plaats van op je knieën liggend al je proble­men op te sommen aan God. Wat moet Hij daar­mee? Je hebt ze zelf gecreëerd, dus moet je ze zelf ook oplossen. „Doe er dus wat aan,” zegt Koos op ferme toon. Leg niet alle proble­men buiten je neer, maar ga in stilte naar bin­nen, leer in stilte te luisteren naar je inner­lijke God dan zal Die je het antwoord aan­rei­ken. Volgens Koos is dat eigenlijk het enige naar zijn gevoel dat Hij nog aan de mensen heeft te vertellen. Opnieuw te leren bidden. In stilte naar binnen toe te gaan en daar je eigen God te ontmoeten, daar je eigen antwoorden te vin­den. Afgaand op nog maar één gezag, je eigen gezag, het gezag in jezelf.

Inwijding, zegt Koos, is niet meer of minder, dan tot in iedere vezel van je lichaam te voe­len en te aanvaarden dat je God bent. Op dat moment ben je een ingewijde. Er is nie­mand die je kan inwijden, dat kun je alleen maar zelf door de omkering te maken, door de weg te gaan naar de God in jezelf.

Vanaf het bestaan van Jezus wordt ner­gens meer iets gehoord of geschreven over de Essenen. Ze waren zomaar ineens verd­wenen en uit het weinige wat beschreven is, kan wor­den opgemaakt dat de Esseense groe­pering heeft bestaan om zo’n zuiverheid van leven te creëren, dat dit zich uiteindelijk mani­festeerde in de vorm van Jozef en Maria, die dankzij hun zuiverheid in staat waren een zeer hoge Godde­lijke vibratie te kunnen laten incar­neren. Deze beide mensen werden zó voor­bereid, dat er ui­teindelijk niets onzuivers meer in hun wezen aanwezig was en dat heet onbe­vlekt. Vandaar de uitdrukking ‘onbevlekte ont­vangenis’. Jozef en Maria waren als het ware een eindstation van het zuivere bestaan van de Essenen, die wèrkelijk konden geven en die wèrke­lijk kon­den delen. Hun taak was vol­bracht.

Heeft Jezus, die het voorbeeld leefde van Goddelijke Liefde en wijsheid niet ook ge­zegd: „Het Koninkrijk Gods is binnen in u,” vraagt Koos. Heeft Hij ons niet in eigen per­soon voor­gehouden en voor geleefd hoe wij te leven heb­ben? Als Jezus nu onder ons zou ver­blijven en Hij zou zijn Boodschap in ons he­dendaags taalgebruik geven, dan zou Hij zeg­gen:

Ik bracht jullie liefde en je haat elkaar.
Ik vertelde je, da, degene die het zwaard han­teert, erdoor zal worden omgebracht en jullie voeren nog steeds oorlog en slachten elkaar af.
Ik leer­de jullie eenvoudig te leven en jullie hebben imposante steden gebouwd, ter­wijl je de natuur minacht en ver leeft van zui­vere lucht, van de zon, van het water en van alle natuurkrachten.
Ik onderwees jullie aan de stranden van de zee en de meren en op berg­hellingen en jullie hebben grote tempels en kerken ge­bouwd voor jullie aanbiddingen.
Ik genas de zieken en toonde je de weg naar heel­wording, zodat je nooit meer ziek zou zijn en nu zijn jullie allemaal ziek. Nog nooit zijn er zoveel ziekten en zieke mensen geweest dan nu.
Ik onderwees jullie een eenvoudig, natuur­lijk leven zonder rijkdom en nu vergaren jullie geld en bezittingen, waarmee je huis na huis vult en waarvoor je anderen leegzuigt.
Ik leer­de jullie de werkelijke wetten van harmonie en harmo­nieus leven en nu doen jullie precies het tegenovergestelde van mijn lerin­gen. Jullie verzamelen je in grote stenen tempels en ker­ken en bidden daar tot me en vragen me je te helpen en je te redden.
Her­inner je je niet dat ik je onderwees in de tempel van de natuur?
Her­inner je je niet, dat ik je leerde, dat verlos­sing zich zou voltrekken aan hem die de Wet kende en navolgde. Hoe zou ik je moeten red­den als je jezelf niet wil redden?

Na een plezierig, maar soms ook wel confronterend debat over de Godde­lijke duali­teit, de Dode Zee rollen, het gegeven dat àlles Goddelijk is, dus ook datgene wat wij als ne­gatief ervaren, sluit Koos deze zeer druk bezochte en zeer geanimeerde avond af, met het wonderschone Esseense evan­gelie van de vre­de, dat hieronder is weergegeven.

 

Ik spreek tot je. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je, toen je werd geboren. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je bij je eerste zucht. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je toen je je eerste woord sprak. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je bij je eerste gedachte. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je toen je de eerste keer liefde voelde. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik sprak tot je toen je je eerste lied zong. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door het gras van de weiden. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de bomen van de bossen. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de valleien en de heuvels. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de heilige bergen. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de regen en de sneeuw. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de golven van de zee. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de morgendauw. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de vrede van de avond. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de stralende zon. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de schittering van de sterren. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de stormen en de wolken. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de donder en de bliksem. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je door de wonderbaarlijke regenboog. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik zal tot je spreken wanneer je alleen bent. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik zal tot je spreken door de wijsheid van de Ouden. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik zal tot je spreken aan het einde der tijden. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik zal tot je spreken als je mijn Engelen ziet. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik zal tot je spreken door de eeuwigheid heen. Wees stil, weet, ik ben God.

Ik spreek tot je. WEES STIL, WEET, IK BEN GOD.