Innerlijk Besef

De inwijding tot de innerlijke Christos

Kort verslag van de themadag met Marcel Messing op zondag 11 mei 2003.

De levende dode kwam tot leven

Marcel Messing voorjaar 2003.

Soms was het een fluisteren,
dan weer een ingehouden luisteren,
soms een zacht kloppen aan de hartedeur,
dan weer het binnendringen van zoete bloesemgeur,

Soms was het een zacht tikken van voorjaarsregen,
dan weer de vreugde van stille zegen,
soms was het een duidelijk wenken,
dan weer de vreugde van het stille schenken,
Soms was het een rimpeling in water,
dan weer de lieflijke gedachte aan later,
soms was het de roep van de nachtegaal,
in serene zang van lang vervlogen taal.
Vleugels van zuiver licht
raakten teer mijn aangezicht,
en zachte bries van voorjaarswind
wekte in het hart het goddelijk kind.
In mij rees het stralend zonnelicht,
wees naar een komend vergezicht,
zo ver en toch zo nabij,
het gaf me vreugde, maakte blij.
De lieflijke toon van hemelse klanken,
deden heel mijn wezen danken,
in woorden en beelden,
die alle zinnen zonder hechten streelden.
Een wenken en roepen brak door,
een onaards verheven koor,
het goddelijk woord,
nog nooit zo puur gehoord.
Het klonk van binnen,
als eeuwig ‘in den beginne’.
het was het lichtend levensbrood,
dat het gestorvene wekte uit de duisterdood.
Het witte manna van de zoete Geest,
daalde af als op een bruiloftsfeest,
en stromen hemelse wijn,
vervulde stil het goddelijk festijn.
Er was het zoeken en het vinden,
het loslaten en het binden,
het tasten en het raken,
het proeven en het smaken.
Alle tempelgoden leken af te dalen
tot in de bodem van mijn hart,
toch bleef er steeds die éne smart,
om de God der goden te onthalen.
Stil de zachte levensdorst,
die knaagde aan de liefdesborst,
die maar niet vervuld kon raken,
het ware leven niet kon smaken.
Duizend dode riten trokken aan mij voorbij,
in dans van steeds veranderend leven,
toch bleef er steeds het zachte streven,
was er steeds de pijn van hij en zij.
De stenen tempelmuren, ik keerde ze plots de rug,
de zware pilaren, ik keerde niet meer terug,
de stenen tafel waar geen voorjaarsbloem kan open bloeien,
de dode woorden, ze gingen mij vermoeien.

Ik zocht het wonder van alle leven,
dat onverwacht zichzelf aan mij kwam geven.
Het dorstig hart kwam toen tot rust,
vuur van verlangen werd zachtjesaan geblust.
De ware vlam ging plotseling branden,
los van alle aardse banden.
Het zielenvuur spreidde zich steeds meer uit,
ik hoorde zacht een hemelse luit.
Het innerlijk pad gevonden,
niet meer aan de wereld van pijn gebonden.
Ouders, broers en zussen,
konden het ongeboren vuur niet blussen.
Het hart vlamde op,
tot in de hoge schedeltop.
En de gereinigde rode levensstroom,
verloste mij van aardse droom.
Zo leerde ik het sterven vóór de dood,
te leven van het éne levensbrood.
Niet meer dronken van wereldse wijn,
niet meer worden, alleen maar zijn.
Zo zag ik in duistere nacht,
het lieflijk kindeke dat altijd lacht,
een gelaat vol vreugde,
buiten verstand, buiten rede.
Wij allen dragen ons eigen lichaamskruis,
en in ons de Christus altijd thuis,
als wij het pad werkelijk gaan,
gaan we van binnenuit ieder mysterie verstaan.
De wereld zal ons dan bespotten en bespuwen,
de stroom van hoon zal niet zomaar luwen,
de striemende geselslagen,
zullen zijn als duizend plagen.
De rode mantel van spot zullen ook wij dan moeten dragen,
en de wereld zal ons ondervragen.
Een kroon van doornen zal ons tot bloedens toe prikken
door duizend vlijmscherp vragende ikken.
Het innerlijk kruis zullen we zelf dragen,
en de wereld zal om ons klagen,
omdat we haar de rug toe keren,
een ander Licht gaan eren.
Dwazen en verdoolden zullen hun vonnis spreken,
ons veroordelen tot de kruisingsdood,
waarin het zonnekind verrijst uit nieuwe schoot,
het Woord zal klinken in alle streken.
Maar spijkers van afgunst en waan,
van woede en misverstaan,
zullen eerst door handen en voeten worden gedreven,
als we zoeken naar het goddelijk leven.
Dan drinken we de lijdensbeker tot de bodem leeg,
en terwijl het scheppingswoord tot ijle lippen steeg,
klinkt krachtig reeds ‘het is volbracht!’,
dan voltrekt zich in de wereld de duisternacht.

De oude aarde in ons beeft,
maar de innerlijke Christus leeft!
De uiterlijke zon verdwijnt uit het zicht,
overal alleen maar liefde, alleen maar Licht!
En als we in het graf van opstanding zijn neergelegd,
is alles aan de wereld van illusie gezegd,
ben ik voorgoed gestorven vóór de dood,
werd ik tot hemels levensbrood!
Het oude lichaam werd tot graf,
en het ik verried zichzelve laf,
voor slechts dertig zilverlingen,
waarin alle stralen van het zonlicht vergingen.
De levende dode kwam tot leven,
weg rolde de grafsteen van verleden,
maakte plaats voor het eeuwige heden,
waarin voorgoed het hemels lichtkleed is geweven.

 

Met bovenstaand gedicht geeft Marcel zo prachtig weer hoe innerlijke en uiterlijke tere en subtiele aanrakingen het vuur van verlangen naar de God der goden doet ontsteken en uiteindelijk dooft als de ware vlam van het zielenvuur gaat oplaaien. Onbegrepen, onbemind, bespot en bespuwd door hen die het niet vatten, moet een ieder zèlf het innerlijk kruis dragen, de lijdensbeker tot de laatste druppel leegdrinken en ‘sterven voor de dood’. Dàn kan met deze vlam de innerlijke Christus tot leven komen, kan door deze liefde, dit Licht de aardse onwerkelijkheid achter gelaten worden, kan de levende dode tot leven komen. Het gedicht geeft poëtisch de essentie weer van hetgeen Marcel deze themadag in een mooie harmonische en uiterst aandachtige sfeer met de ruim 200 aanwezigen zou delen. Op meesterlijke wijze toverde Marcel een eeuwenoud gobelin tevoorschijn, toonde hoe de wirwar van ogenschijnlijk losse draden van verschillende gebeurtenissen, culturen en tijden, toch met elkaar verweven zijn binnen een kosmisch raamwerk met scheringdraden van Liefde en Licht. Patronen, overeenkomsten, verbindingen en ‘voortborduursels’ werden zichtbaar en we zagen hoe ook huidige persoonlijke en wereldaangelegenheden hun plaats hebben binnen dit kosmisch weefsel. Ook de recente oorlog tussen Irak en Amerika blijkt een noodzakelijk kwaad in het verdere kosmische verloop. Om hier later op terug te komen neemt Marcel ons eerst mee op het hoe en waarom van de reis die de ziel maakt.

 

 

De ziel is miljoenen jaren geleden uit het Licht gekomen voor een initiatietocht door de stof om kennis op te doen van dualiteit. Op deze weg trok de ziel gewaden aan: in het Polaire tijdperk bouwden we een fijnstoffelijk lichaam op, in het Hyperborese tijdperk een etherisch lichaam. In het huidige tijdperk van Genesis (met de verdrijving van de mens uit het paradijs) en Apocalyps creëerden we in de tijd van Lemurië een emotioneel lichaam en een mentaal lichaam in de tijd van Atlantis. Het is door misbruik van dit mentale lichaam dat – aan het einde van een platonisch jaar, een cyclus van 25920 jaar – Atlantis is vergaan. Atlantische kennis is wel bewaard gebleven en was onder andere bekend bij alle discipelen van Jezus, behalve Judas. Jezus kon door zijn zuivere levensstijl de Christuskracht ontvangen bij de doop in de Jordaan, deze verder verinnerlijken en uiteindelijk bij zijn kruisiging via zijn bloed tot in de diepste lagen in de aura van de aarde laten stromen. Jezus heeft het voor elk individu, die vanuit de vrije wil hiervoor kiest, mogelijk gemaakt nu zonder mysteriescholen de inwijdingweg van de innerlijke Christos zèlf te gaan. Christos is de essentie van ons ware wezen, het Licht dat aanwezig is in het hart van ieder mens.

Van groot belang voor het gaan van deze inwij­dingsweg is de innerlijke zuivering. We kunnen hierbij gebruik maken van de vier ‘hoofdrivieren’ die ons helpen terug te keren naar het paradijs:

  1. Stoffelijke etherrivier. Vlees, drugs, sigaretten, alcohol, koffie en chocola werken vertragend op je spirituele ontwikkeling. Gebruik geen magnetron: dit is een voedseldoder! Wees voorzichtig met het kijken naar TV-programma’s met geweld en porno: zij versterken een negatief energieveld. Let ook op je taalgebruik: roddel niet, praat positief over een ander met de gave van onderscheid.
  2. Levensetherrivier. Seksuele- of levensenergie is een mooie en krachtige energie. Sacraliseer het uiting geven aan seksualiteit: ook hierin is groei en ontwikkeling mogelijk.
  3. Lichtetherrivier. Wandel, beweeg en wees buiten, vooral in de avond- en ochtendzon.
  4. Mentale rivier. Aan alle handelingen gaat denken vooraf: beteugel het denken!

Onze huidige tijd is een bijzondere tijd: we gaan van het Vissentijdperk naar het Watermantijdperk èn we eindigen een cyclus van een platonisch jaar. Met behulp van de ultraviolette straal uit de kruik van de Waterman mogen we met deze lichtvibratie leren wie we werkelijk zijn: we zijn van goddelijke oorsprong! We zijn op weg terug naar deze oorsprong, maar nu met doorleefde en beheerste kennis van goed en kwaad. De planetaire invloeden van Uranus, Neptunus en Pluto werken nu sterk in op de aarde en haar bewoners: zij zorgen voor ingrijpende veranderingen om via opbraak en chaos uiteindelijk van dualiteit tot eenheid te komen.

Kennis hebben van wat nu gebeurt kan belangrijk zijn, zoals Krishna tegen Arjuna zei: “Wie het geheim kent van een yuga (tijdperk), kent het geheim van de tijd, kent het geheim van het levensrad”. De komende transformaties zullen op alle terreinen merkbaar zijn, ook in kerkelijke instituten en de wetenschap. De aarde verandert, moet veranderen: geologische verschuivingen vin­den plaats, er is een toename van stormen, orkanen, aardbevingen en overstromingen. Verontreini­gingen van lucht, water en aarde zullen veel (virus)ziekten met zich mee brengen, meer dieren en wouden zullen sterven. Dieren geven duidelijk aan dat ze niet meer behandeld willen worden zoals nu gebeurt: het dierenleed moet verminderen wil Moeder Aarde genezen. Speciale zorg moet uitgaan naar jongeren, waarvan velen ongezond leven met hun voorkeuren in voeding en vermaak. Veran­dering van het onderwijssysteem is noodzakelijk: niet door weer nieuwe dogma’s maar slechts door het geven van het voorbeeld (spiritualiteit vraagt om het stellen van daden!).

Het conflict dat zich in het Midden-Oosten afspeelt gaat over oude krachten. De oude karmische wet van oog-om-oog, tand-om-tand moet omgezet worden in het nieuwe: als de joden nu gaan kiezen voor de Christus, zal de doorbraak naar echte vrede komen en zullen de Palestijnen meegaan. Beiden moeten inleveren en weten dat ze elkanders broeders en zusters zijn. Vergeven en echt vrede verlangen is de enige uitweg naar werkelijke vrede!

We zijn onderweg naar een ‘lifeline’, naar een wedergeboorte van de mens die kan en wil open­staan. De zon schittert aan de hemel en in ons hart. Wij worden uitgenodigd de vuurstorm in de wereld te weerstaan. Ons innerlijk huis moet daarbij gebouwd zijn op de rots van wijsheid, Liefde en Licht. Het huis waarvan in de Upanishad staat:

Dood kan dit huis niet raken,

Vuur kan dit huis niet branden,

Water kan dit huis niet natmaken,

Wind kan dit huis niet drogen.

De vlag van genade waait altijd, we hoeven alleen de wind bij te stellen!