Innerlijk Besef

Activeer uw zelf-genezend vermogen

Verslag van de lezing door Henk Fransen op dinsdag 7 december 2010 in Zalencentrum Hingstman te Zeijen. Activeer uw zelf-genezend vermogen voor iedereen die geïnteresseerd is in zijn of haar gezondheid

Zelfgenezend vermogen is de mogelijkheid om van binnenuit beter te worden. Het is goed om een dokter te raadplegen, maar je dient ook de kracht van binnenuit te gebruiken. In ieder van ons zit een orgaan dat speciaal gemaakt is om ons beter te maken, het immuunsysteem. In elk orgaan zit de intelligentie van de schepping of van de schepper. Het immuunsysteem bestaat uit immuuncellen. In zo’n cel zit een bepaalde intelligentie, een bewustzijn. Een arts probeert de mens van buitenaf beter te maken, een immuuncel probeert dat van binnenuit.

Henk heeft een boek geschreven, waarin een immuuncel zijn levensverhaal vertelt: Bondgenoot, autobiografie van een immuuncel.

Het immuunsysteem heeft een fysiek en een geestelijk aspect, een lichamelijke en een geestelijke weerbaarheid. Het boek gaat vooral over de geestelijke weerbaarheid. Henk vertelt het in de ik-vorm. Hij is de immuuncel, die tegen ons gaat praten. Halverwege zijn verhaal zullen we niet meer weten of het over cellen of over mensen gaat.

Ik ben een immuuncel in het lichaam van de mens. De meeste mensen spreken mij aan als Bondgenoot omdat ik iedereen help en steun. Je kunt mijn taken vergelijken met die van een soldaat of een politieagent, want aan de ene kant verdedig ik het lichaam tegen vijanden en indringers en aan de andere kant handhaaf ik de orde in het lichaam. Maar ik heb nog zoveel meer taken waar de meeste dokters maar weinig vanaf weten. Ik ben een heel sensitieve cel. Ik voel op afstand. Ik kan aan de buitenkant van een cel voelen wat zijn opdracht is in het lichaam. Ik ben ook een motivator. Als ik dichter bij cellen in de buurt kom, krijgen ze automatisch meer zin om hun werk zo goed mogelijk te doen. Ik ben ook een teambuilder, want de cellen om mij heen zijn geen losse individuele eilandjes, maar ze werken met elkaar samen. Ik ken het geheim van synergie. Uit eigen ervaring weet ik dat 1+1 wel 10 of 20 kan zijn. Als alle cellen op de juiste manier met elkaar samenwerken, krijgen we het wonder van de schepping, het menselijk lichaam. Ik heb ook te maken met welzijn, vitaliteit, levensplezier, inspiratie, bezieling.

Eerst moet ik jullie de belangrijkste principes uitleggen op grond waarvan het lichaam werkt.

De cellen om mij heen worden bezield, er wordt leven ingeademd. Dat noemen wij in het lichaam Grote Wijsheid. Ongeveer de helft van de cellen denkt, dat Grote Wijsheid een soort goddelijk opperwezen is, een alomtegenwoordig bewustzijn heeft. De andere helft van de cellen denkt, dat Grote Wijsheid het DNA materiaal is, dat zich bevindt in de kern van elke cel en diep van binnenuit de kern elke cel precies datgene kan laten doen waarvoor die gemaakt is. Ik voel me vooral verwant met deze cel. Zo vaak heb ik van binnenuit het gevoel dat ik geleid word en weet wat ik moet doen.

In mijn jeugd was ik een gelukkige cel. Ik voelde me verbonden met Grote Wijsheid. Ik wist precies wat ik moest doen om een bacterie uit te schakelen. Het was mijn taak, mijn geluk, mijn bezieling.

Toen ik een soort pubercel werd, voelde de mens waarin ik leefde zich enorm verdrietig, teleurgesteld, eenzaam. Ik haalde alles uit de kast wat ik geleerd had om de mens te helpen. Deze keer werkte het niet, wat ik ook probeerde. Het duurde een paar jaar. Op een gegeven moment werd het me teveel en knakte er iets in mij. Diep van binnen had ik het opgegeven. Sinds die tijd dacht ik vaker aan mezelf: als ìk het maar goed heb. Ik kreeg een gevoel van leegte. Op een gegeven moment zag ik een cel, die in levensgevaar verkeerde en ik deed niets. De eerste keer dat het gebeurde, voelde ik me enorm schuldig. Er kwamen allerlei excuses in me op. Ik kan toch niet alle problemen in de mens oplossen. Bovendien, iedereen denkt de laatste tijd vooral aan zichzelf. M’n werk voelt toch al als een druppel op een gloeiende plaat. Deze gedachten kwamen steeds vaker in me op. Ik begon ze geleidelijk aan te geloven en ging ernaar leven. Meer en meer cellen waren vooral met zichzelf bezig en dachten: als ik het maar goed heb.

In het beenmerg zag ik eens een actualiteitenprogramma op de televisie. Cellen waren daarin heftig met elkaar in discussie over de problemen in de lever, de gal, het bot, de hersenen, het hart. Diep van binnen knaagde dit aan me.

Toen ik op volwassen leeftijd kwam, werd er in de mens een orgaan gevonden dat helemaal leeg geworden was. Het had z’n taak opgegeven. Witjas leefde in de kosmos en had met speciale meetinstrumenten in de mens gekeken. Hij had de diagnose aan de mens doorgeseind. Iedereen in het lichaam was geschokt. Ze discussieerden met elkaar over de straf die de lege cellen moesten krijgen voor hun asociale gedrag. Ik nam daar niet aan deel. Ik voelde me enorm schuldig. Ik had allang de leegte gevoeld, maar ik had niets gedaan. Ik voelde mezelf de laatste tijd ook leeg. Ik zat in mijn gedachtespinsels gevangen.

Ineens hoorde ik voor het eerst van mijn leven een stem die de woorden sprak: “Liefste, ik houd van jou, wat ben je mooi”. Door die woorden kwam ik in beweging. Ik wilde weten wat er aan de hand was en ging op reis in de mens. Ik ontdekte dat de leegte overal aanwezig was. Alle cellen die ik sprak voelden minder bezield, minder vervuld, leger. Toen ik de moed vond om in de leegte te gaan kijken ontdekte ik, dat achter dat lege gezicht een hele gevoelige cel schuilging. Een cel, die zich voor mijn gevoel meer dan de anderen aantrok wat er in het geheel gebeurde. Voor mijn gevoel had hij geen straf, maar juist steun nodig. Dan zou hij wel eens een voorbeeld kunnen worden voor anderen. Ik durfde er met niemand over te praten. Intussen ging het niet goed met de mens. De leegte vermenigvuldigde zich snel en verspreidde zich naar andere organen. Witjas had voorgesteld om medicijn en straling te geven om de lege cellen terug te dringen en te doden. Dat gebeurde, maar iedereen had er last van. Als ik er aan terugdenk, word ik weer misselijk. Ik deed m’n best om alle cellen om me heen te helpen, maar ik voelde me in die tijd krachteloos.

Ik wilde terug naar het beenmerg om uit te rusten en weer op krachten te komen. Op weg naar het beenmerg kwam ik bij het hart. Het hart zag me en groette. Zij ontspande zich en zoog mij met tientallen bloedcellen in de rechter hartkamer. Daar werd ik gelanceerd met een enorme kracht in de longslagader. Ik wilde protesteren tegen deze ruwe behandeling. Voordat ik iets kon zeggen werd ik helemaal volgepropt met levengevende zuurstof. Vervolgens werd ik weggespoten met nog veel meer kracht in de lichaamsslagader. Tot dan toe dacht ik dat de liefde soft was, maar nu voelde ik wat een power er in de liefde zat. Het hart had me opgetild in haar liefde.

Voor een moment kende ik geen enkele angst. Ik stroomde door het bloed. Ik kwam in de leegte. Omdat ik geen enkele angst kende, kwam ik dichter bij een lege cel dan ik ooit was geweest. Toen onze celwanden elkaar raakten nam ik deze lege cel in mij op. Er welde zo’n compassie in mij op dat ik het uitschreeuwde. Lege cel, liefste, ik houd van jou, wat ben je mooi. Het was alsof de intensiteit van mijn schreeuw de hele mens doortrilde. Alsof het voor elke cel makkelijker werd om over z’n pijn, z’n verdriet, z’n leegte, maar ook om over z’n verlangens en idealen te praten. Er vond een kanteling in de mens plaats van “Als ik het maar goed heb,” naar een oprecht “Hoe is het met jou?” Ik had dit niet op eigen kracht beleefd. Het hart had me opgetild in haar liefde.

Heel geleidelijk heb ik me de kracht van de liefde eigen gemaakt. Iedere keer als ik door het hart stroomde en zij mij optilde in haar liefde, voelde ik dat diezelfde kracht in mij zat. Toen ik me het volledig eigen had gemaakt, was het hart heel blij. Het hart zei tegen me: Bondgenoot, ga nu naar de longen, want de longen hebben een belangrijke les voor jou.

Longcel deed me de juiste ademhaling voor. Hij ademde eerst helemaal uit. Eerst moet alle oude rommel eruit, dan kan er pas iets nieuws in. Vervolgens ademde longcel in. Hij ademde niet diep maar z’n intentie was heel puur. Ik voelde hoe hij zich voorstelde dat hij zich volledig verzadigde met levengevende zuurstof en hoe z’n celwand intensief volgde. Toen ik dat meebeleefde, zag longcel dat ik het had begrepen. Je kunt ook liefde, vrede, kracht, moed of wat je maar wilt inademen. Longcel zei: “Ga naar beenmerg en oefen dit met alles wat je je kunt voorstellen, totdat je werkelijk kunt voelen en ga dan naar de leegte om het te beproeven”. Ik merkte, dat wanneer ik mij voorstelde dat ik me volledig verzadigde met Grote Wijsheid, ik altijd precies datgene kreeg wat ik op dat moment nodig had.

Op een avond kwam ik in de hersenen en zag ik hoe een enkele gedachte in een fractie van een seconde alle cellen in het lijf beïnvloedde. Wanneer de mens deze gedachte geloofde, verankerde deze toestand zich in het lichaam tot in de stofwisseling. Ik was zo geraakt, dat ik het uitschreeuwde: “Mens, liefste, ik houd van jou, wat ben je mooi.” Het was alsof de mens mij hoorde, want ik zag de gedachte om geliefd te zijn opkomen tussen de grijze hersencellen en vervolgens zich vertalen tot in alle uithoekjes van het lijf. De cellen ontspanden zich wat. Ze begonnen wat dieper te ademen en ze kregen hoop op een goede afloop. Ik zag hoe in de hypofyse en hypothalamus andere hormonen in het bloed werden afgescheiden, die de hele mens doorcirkelden en de stofwisseling terug poolde van ziekte in herstel. Hoe zouden we de werking van gedachtes kunnen gebruiken voor het welzijn van de mensen?

Op dat moment in mijn leven kreeg ik een initiatie, een inwijding. Stem had mij meegenomen naar de thymus, een heel speciale plaats in de mens, waar immuuncellen een belangrijk deel van hun opleiding krijgen. Ook de verbinding met Grote Wijsheid is hier heel krachtig. Op het moment dat Stem mij kroonde met een gouden kroon was het alsof mijn gehele cel zich oprichtte en straalde van innerlijke trots en waardigheid. Grote Wijsheid was overal in en om mij heen. Ik voelde mij vredig, maar bovenal voelde ik een enorme kracht en bezieling. Ik wist dat elke cel een taak had en dat alle taken samen de grootsheid van de mens vormden. Volgens Stem had ik de teleurstellingen en de pijn in mijn leven omgebogen in het voordeel van de mens. Ik voelde een diep begrip voor de mens. Ik wilde leven voor de ander. “Ik houd van jou, je bent zo mooi,” sprak Stem nog. “Het is jouw opdracht deze kroon zichtbaar te maken voor alle cellen van de mens.”

Ik vocht dag en nacht. Het tempo waarin de leegte zich vermenigvuldigde, was inmiddels zo groot, dat ik het tij niet meer kon keren. Ik riep alle immuuncellen bij elkaar. We brachten elkaar op ideeën en ik schreef alle taken op. We spraken af dat elke immuuncel die taak voor de mens zou doen die het meest bij zijn hart paste. In de weken daarna zag ik dat veel immuuncellen, net als ik vroeger, bang waren voor de leegte en vanuit angst begonnen te vechten tegen en geen enkel grip hadden. Ik riep opnieuw iedereen bij elkaar. Er waren duizenden cellen bijgekomen. Zouden we nog iets anders kunnen doen dan vechten tegen? Er kwamen nieuwe ideeën. Ieder kreeg de opdracht met z’n tweeën of drieën naar de leegte te gaan en de manier die het beste bij zijn hart paste uit te proberen. Als het niet werkt, kies je iets anders, zei ik.

Op een ochtend had ik allerlei immuuncellen bij het hart geroepen. Ik vertelde dat voor mij de ommekeer gekomen was, toen ik de kracht van de liefde leerde kennen. Ik gaf iedereen de opdracht om door het hart te stromen. Iedereen roetsjte door het hart. Ze wisten niet dat ze zich zo levend konden voelen.

Na enkele maanden waren we zeker met honderdduizend aan het werk in de leegte. Regelmatig zag ik dat een lege cel, die zich spontaan vulde met taak, weer een gezicht kreeg en aan het werk ging voor de mens. Of ik zag een lege cel, die spontaan genas. Cellen bedankten me voor mijn liefde en betrokkenheid, voor de kracht en bezieling, voor het vertrouwen naar hen toe. Ik ontspande me.

Nu begrijp ik dat ik helemaal niets hoef te doen. Ik hoef alleen maar m’n eigen leven op te pakken, m’n potentie uit te drukken. Anderen krijgen dan automatisch het gevoel dat ze dat ook kunnen.

Spontaan nam ik m’n kroon en zette die op het hoofd van een lege cel, die net weer aan het werk ging voor de mens. Ik zei: “Liefste, ik houd van jou, wat ben je mooi.” Mijn kroon verdubbelde zich op een wonderbaarlijke manier. Ik doe nu niets anders dan de cellen, die mijn pad kruisen, te kronen en ze te laten weten hoe mooi en waardevol ze zijn voor de mens.

Na de pauze

Halverwege het verhaal weet je eigenlijk niet goed meer of het over cellen of over mensen gaat. Je herkent er ook deze maatschappij in. Als eerste vertelt Bondgenoot dat de cellen om hem heen geen dode materie zijn; ze worden bezield. Er drukt zich geest in uit. Dat geldt voor alle materie. Het menselijk lichaam is een goddelijk instrument voor de ziel om zich in uit te drukken. Alle aspecten van de ziel drukken zich via de verschillende organen uit. Aan iemands houding, aan iemands stem, aan iemands ogen kun je horen wat er diep van binnen gebeurt. We zouden de functie van een cel tot op celniveau moeten leren begrijpen, om te snappen hoe de ziel zich uitdrukt. Lichaam en geest zijn één.

Vooral in het westen kregen we steeds meer grip op de materie, maar we keerden ons van de geest af. De kwantumfysica is zo diep in de materie door gedrongen dat ze de kleinste fysieke deeltjes, de kwanta, hebben gevonden. Deze kleinste materiedeeltjes tonen zich als materie, als je ze van de ene kant benadert in experimenten door ze te wegen, te meten. Als je ze vanuit intentie, vanuit verwachting benadert, blijkt dat ze niet bestaan. De kwantumfysica zegt dat het non-materie, geen energie is. Energie is subtiele materie. Het is het kwantumveld. Van de ene kant is het materie, van de andere kant is het niks. Wat bepaalt hoe de kwanta zich tonen? Wat de onderzoeker verwacht, gelooft over het experiment, zo toont de materie zich. Het is subjectief.

“U geschiede naar uw geloof,” zei een man 2000 jaar geleden. Duizenden jaren voor Chr. waren er beschavingen die deze sleutel tot de materie kenden. Die zeiden dat de mens in wezen geest is, boven de materie staat, de materie bezielt, de materie schept door middel van zijn overtuiging, door middel van zijn geloof. God maakte ons naar zijn beeld en gelijkenis. Hij maakte man en vrouw. Dus God is man en vrouw. Hij is een schepper. Wij zijn scheppers. Dat wordt op dit moment door de kwantumfysica herontdekt, maar dat wisten we allang door het placebo-effect.

Een tabletje waar niets in zit, kan klachten doen verdwijnen net als een tablet die er speciaal voor gemaakt is. Je geest corrigeert de materie puur op de factor geloof. Je laat de schepping tevoorschijn komen. Hoe kunnen we het placebo-effect bewust inzetten? Geloof is de meest potente factor die de reguliere geneeskunde probeert uit te sluiten, maar die we juist in het licht zouden moeten zetten. Hoe kun je iemand helpen om in iets te gaan geloven, wat hij nog nooit heeft gedaan? Dit is de sleutel tot de materie en gezondheid.

De breatharians leven alleen van de adem. Zij eten niet. Het gaat niet om de adem op zich maar om de prana, de chi, de heilige geest, de inspiratie. Jasmuheen eet al jaren niet. Ze heeft beheersing over haar lichaamsfuncties. Ze roept dingen uit het kwantumveld tevoorschijn.

De sociale factor is vitaal voor het zelfgenezend vermogen. In een gezond lichaam doet elke cel zijn taak. Op fysiek, emotioneel, mentaal, sociaal en spiritueel niveau kunnen we ons zelfgenezend vermogen enorm activeren.

Het is de bedoeling dat je je taak uitdrukt. Wij worden door Grote Wijsheid van binnenuit geleid. Kies voor dat waarbij je voelt dat je leeft. Openbaar dat door het te volgen.

Celherinneringen

Het leven bestaat uit ervaringen waardoor je herinneringen met meer of minder lading krijgt. Dit is iets geestelijks, maar het is ook een trilling die in je lijf zit en die je met je meedraagt. Die celherinneringen kunnen fijn of niet fijn zijn. Houd je niet teveel bezig met je trauma’s, met je problemen, met je spanningen. Laat ze rusten. Je moet ze niet ontkennen. Je trauma’s verleiden je telkens weer om ernaar te kijken. Je kunt leren dat je je aandacht kunt richten en daarin kunt kiezen. Als je je aandacht richt op je interesses komt er meer leven. Als je je aandacht richt op liefde, komt er meer liefde. Als je je aandacht richt op krachtbronnen, op de mensen die van je houden, op wat je kunt betekenen voor een ander, begint dat te groeien en verdwijnen je problemen voor een groot deel. Er blijft dan vaak een kern over en die – zegt de traumaleer – kun je benaderen vanaf een afstand. Het beste is om je problemen homeopathisch verdund, aan te pakken. Voel je problemen aan de rand, terwijl je in contact bent met je kracht, je liefde, je bezieling, je inspiratie. Houd je aandacht bij wie je bent, je godheid, de mensen die van je houden.

Geestelijk aspect van kanker

Op het emotionele niveau zijn er allerlei stressbronnen en blokkades die uiteindelijk het immuunsysteem kunnen knakken, waardoor de leegte een kans krijgt. Op alle niveaus zijn er kankerverwekkende invloeden. Kanker treft de gevoeligste mensen in hun gevoeligste orgaan. Je gevoeligste orgaan heeft te maken met je blauwdruk in het leven.

De mensheid is ook een lichaam. Wij zijn de cellen in dat lichaam. Elke cel heeft een taak. Net zoals kanker de individuele mens wakker kan schudden om tot stilstand te komen in zijn leven en te kijken wat er aan de hand is en het orgaan op een dieper niveau uit te drukken, hoopt Henk dat de enorme toename aan kanker het mensheidslichaam wakker schudt en dat meer en meer mensen hun taak gaan doen. Je taak is een wonderlijke mengeling van iets, wat je de ander wilt geven, zodat het hem of haar beter gaat. Tegelijkertijd is het jouw mooiste vervulling. Het is geven en ontvangen.

Als 3 à 4 op de 10 mensen kanker, een probleem krijgen, heeft de groep een probleem. De mensheid heeft kanker. De mensheid staat op een belangrijke overgang in zijn bewustzijn om zijn taak op te pakken.

Laten we een kanteling maken van “Als ik het maar goed heb,” naar een oprecht “Hoe is het met jou?”